lundi 29 octobre 2012

Mijn leraarsnotas ‘Inleiding op de politieke economie’ zomeruniversiteit 2012 IMAST les 1 Waar en geld


Hierbij mijn leraarsnotas voor de cursus ‘Inleiding op de politieke economie’ op de zomeruniversiteit 2012 van het IMAST. Les 1 Waar en geld
Basis : Leerboek Politieke Economie, Academie der Wetenschappen van de Sovjet-Unie, 1954.

Inleiding

De verwachtingen van de mensen ivm de cursus, het belang van de thema's die in de vorming worden behandeld, en het waarom van onze benadering en methodes. Waarom politieke economie studeren? Dialectisch en historisch materialisme.
Markt en waar in het huidig politiek debat.
Waarom het Leerboek Politieke economie: een cadeau van de CPSU aan de internationale communistische beweging. Beperkingen van het HPE. Bibliografie en mogelijkheden tot verdere vorming aangeboden door PvdA en op Internet.

Het belang van basisconcepten zoals waar en markt.

Marx schreef in maart 1872 aan zijn franse uitgever Lechatre:
“Mijn analysemethode  maakt het lezen van de eerste hoofdstukken heel moeilijk, en ik vrees dat het Franse publiek, dat altijd staat te popelen om besluiten te kunnen trekken, en snel de algemene beginselen wil kunnen toepassen op de directe realiteit, zal afgeschrikt worden omdat het die stap niet kan overslaan.
Dit is een nadeel waartegen ik maar een ding kan doen en dat is de lezers die de waarheid willen kennen te verwittigen voor die moeilijkheid. Er is geen koninklijke weg naar de wetenschap, en alleen zij hebben een kans haar lichtende toppen te bereiken die niet bang zijn om moeizaam de steile paden te beklimmen”.

Van abstract naar concreet
De inspanning om de concepten waarde en markt te beheersen loont de moeite. Deze discussie en is gloeiend actueel. Hierbij een aantal voorbeelden.

De Amerikaanse marxistische systeembouwer Wallerstein wil 'de kapitalisten' te dwingen om consequent te zijn: “Dwing ze om alle markten te dereguleren en met iedereen te concurreren. Je zult zien dat ze hun eigen medicijn nooit slikken. De logica van het kapitalisme is immers in strijd met de vrije-markttheorie; kapitalisten willen geen vrije markt in de zin van Adam Smith. Het liefst willen ze een monopolie. Houd ze aan hun woord en hun hypocrisie komt vanzelf aan het licht.' (De Groene Amsterdammer van 12 februari 1997). Wallerstein ziet niet dat die vrije markt automatisch uitkomt op monopolie, en dat er geen weg terug is.

In dezelfde zin werkt het principe van ‘full cost pricing’ verdedigd door sommige milieuactivisten: “Rond Las Vegas liggen midden in de woestijn eindeloze rijen nieuwbouwhuizen met daaromheen groene gazons en zwembaden. De ernstige droogte die al vijf jaar in het zuidwesten van de VS heerst, waardoor het niveau in de reservoirs schrikbarend is gedaald, houdt geen kraan dicht. Want water is in de woestijn spotgoedkoop. Het is stukken goedkoper dan in Seattle, een regenachtige stad in het noordwesten. Het verschil: 'full cost pricing'. Volgens dat principe worden alle kosten, ook de belasting voor het milieu, doorgerekend in de kostprijs van een product. Vauit die gedachte betalen inwoners van Seattle tarieven die meer de werkelijke kosten van watertoevoer dekken dan de prijzen in het zuidwesten. Adam Smith, de grondlegger van de moderne economie, bracht full cost pricing al in de achttiende eeuw te berde. Steeds meer overheidsdiensten, aangemoedigd door de sterke milieubeweging, beschouwen full cost pricing als een effectief mechanisme om waterverbruik, autorijden en het produceren van afval in te tomen. Door de hoge watertarieven bijvoorbeeld ligt de consumptie ervan in Seattle vier keer lager dan in andere grote Amerikaanse steden” (dm17-01-2005).

Soros die met zijn hedge fund een fortuin heeft uitgebouwd: "150 jaar geleden hebben Marx en Engels een goede analyse gemaakt van het kapitalistisch systeem, veel beter als de klassieke economische theorie van het evenwicht. Maar de remedie die zij voorschreven - het communisme - was erger als de kwaal. Maar als hun sombere vooruitzichten niet zijn gerealiseerd, dan hebben wij dat te danken aan de compenserende politieke tussenkomsten in de democratische landen.
Ongelukkig genoeg dreigen wij opnieuw de lessen van de geschiedenis slecht te interpreteren. Deze keer komt het gevaar niet van het communisme maar van het integrisme van de markt. Het communisme heeft de marktmechanismen afgeschaft en heeft een collectieve controle opgelegd op al de economische activiteiten. Het integrisme van de markt probeert de collectieve beslissingen af te schaffen en het overwicht van de waarden van de markt op de politieke en sociale waarden op te leggen. Deze twee extremen zijn verkeerd. Wat wij nodig hebben is een evenwicht tussen de politiek en de markten" (Soros - uittreksel uit zijn boek "La crise du capitalisme mondial").

Zouden Adam Smith, Soros en de deregulering wapens kunnen worden tegen het kapitalisme?

Anderen zeggen dat de rechtsstaat de markt moet aan banden leggen. Susan George op het derde Sociale Forum in Londen: " Alles wat de afgelopen 100 jaar bereikt is door strijd ligt weer te grabbel. Het neoliberale ideaal beklemtoont individuele verantwoordelijkheid, vrijheid voor zakendoen en marktoplossingen. Wij stellen daarvoor de rechtsstaat in de plaats om de onverzadigbare eetlust van multinationale bedrijven en financiële markten in bedwang te houden, sociale solidariteit en participatieve democratie".
Attac Vlaanderen eist dat alle sociale rechten, zoals vermeld in het sociaal handvest van de Raad van Europa, worden opgenomen in het Handvest van de EU. Solidariteit moet als waarde van de Unie worden vermeld; openbare diensten en sociale voorzieningen als grondrechten worden erkend en aan de regels van de markt en van de concurrentie worden onttrokken: “ De ’waarden’ van de sociale markteconomie en de volledige werkgelegenheid zijn onverenigbaar met ’een open markteconomie met vrije en onvervalste concurrentie’.

Anderzijds zien wij hoe de vermarkting om zich heen grijpt. Attac klaagt de Bologna-hervorming aan als een complete vermarkting van het hoger onderwijs. “Achter de ’Europese Hoger Onderwijs Ruimte’ gaat een ’Europese Hoger Onderwijs Markt’ schuil. Het GATS (General Agreement on Trade in Services) -verdrag heeft betrekking op alle diensten.’Binnenlandse regelgeving’ (’domestic regulation’) mag geen ’onnodige hindernis voor de handel in diensten vormen. Accreditaties van onderwijsinstellingen, diploma’s, quota’s voor het opnemen van bepaalde groepen studenten, ... vallen allemaal onder dit ’binnenlandse regelgeving’-principe ».

En om te besluiten zien wij hoe ook binnen de communistische beweging nog wordt geworsteld met de begrippen ‘waarde en markt’. Zo moest Stalin in 1952, een paar maanden voor zijn dood, nog een ernstig debat aangaan met de ‘gauchisten’ die de waardewet – dit abc van het marxisme - negeerden :
“Sommige kameraden vinden dat de Partij verkeerdelijk de warenproductie heeft behouden na de machtsovername en de nationalisatie van de productiemiddelen. Daarin verwijzen zij naar Engels, die zegt: "Door het in maatschappelijk bezit nemen van de productiemiddelen stopt de warenproductie en met haar de overheersing van het product op de producent" (anti Dühring).
Wij mogen de warenproductie niet als iets op zichzelf beschouwen, onafhankelijk van de economische context. De warenproductie bestond onder het slavensysteem en diende het, maar heeft niet geleid tot het kapitalisme. Ze bestond onder de feodaliteit en diende het, maar is niet uitgelopen op het kapitalisme, alhoewel zij bepaalde voorwaarden voor die kapitalistische productie heeft voorbereid. De vraag stelt zich: waarom kan de warenproductie ook niet, voor een tijd, onze socialistische maatschappij dienen zonder te leiden tot het kapitalisme. Het ongeluk is dat de leiders van onze industrie slecht de actie van de waardewet kenen. Een voorbeeld tussen vele andere: een voorstel legde de prijs van een ton koren vast op ongeveer dezelfde prijs als een ton katoen; en daarenboven was de prijs van een ton koren dezelfde als die van een ton gebakken brood"

Hopelijk motiveert deze inleiding U om het Hoofdstuk 4 van het Leerboek Politieke Economie (LPE) aan te pakken.

Hfdst 4 De warenproductie (blz 89 – 87 in pdf versie)

De warenproductie is ouder dan de kapitalistische productie. Ze bestond al in het slavenhoudersbestel en in het feodalisme.
De eenvoudige warenproductie vooronderstelt in de eerste plaats een maatschappelijke arbeidsdeling, waarbij de afzonderlijke producenten verschillende soorten producten maken, en in de tweede plaats de particuliere  eigendom van de productiemiddelen en de producten van de arbeid.
De eenvoudige warenproductie van de ambachtslieden en de boeren verschilt van de kapitalistische productiewijze in het feit dat deze gebaseerd is op  de persoonlijke arbeid van de warenproducent. In wezen is ze echter van hetzelfde type als de kapitalistische productie, omdat zij berust op de particuliere eigendom van de productiemiddelen. De particuliere eigendom roept onvermijdelijk concurrentie op tussen de warenproducenten, die ertoe leidt dat een  minderheid zich verrijkt en de meerderheid geruïneerd wordt. Daardoor is de
kleine warenproductie het uitgangspunt voor het ontstaan en de ontwikkeling van kapitalistische verhoudingen.
In het kapitalisme krijgt de warenproductie een overheersend, algemeen karakter.
Het tweeledige karakter van de in de waar belichaamde arbeid.
Een waar is een ding dat in de eerste plaats de  een of andere menselijke behoefte bevredigt en in de tweede plaats niet voor  eigen gebruik, maar voor de ruil wordt geproduceerd.
De gebruikswaarde kan óf direct een persoonlijke behoefte  van de mensen bevredigen óf als productiemiddel dienen voor het fabriceren van materiële goederen.
Vele dingen die niet door menselijke arbeid voortgebracht worden, bezitten gebruikswaarde, bijvoorbeeld het water uit een bron of de vruchten van in het wild groeiende bomen. Maar niet elk ding dat gebruikswaarde heeft, is een  waar. Om een waar te worden moet het ding een product zijn van arbeid en geproduceerd zijn voor de verkoop.
De gebruikswaarde vormt de materiële inhoud van de rijkdom, ongeacht de maatschappelijke vorm ervan. In de warenproducerende economie is de gebruikswaarde de drager van de ruilwaarde van de waar. Op het eerste gezicht lijkt  de ruilwaarde een  kwantitatieve verhouding te zijn doordat er  gebruikswaarden van het ene soort tegen gebruikswaarden van een andere  soort worden geruild. In deze kwantitatieve verhouding van de waren die geruild worden, is hun ruilwaarde uitgedrukt. Waren in bepaalde hoeveelheden worden met elkaar gelijkgesteld, dus hebben ze een gemeenschappelijke basis. Deze basis  kan niet een fysieke eigenschap zijn van de waren zoals bijvoorbeeld gewicht,  volume, vorm enzovoort. De fysieke eigenschappen van de waren bepalen de  nuttigheid ervan; de gebruikswaarde van de waren is echter niet vergelijkbaar  en kwantitatief niet meetbaar.
De verschillende waren hebben slechts één enkele eigenschap met elkaar  gemeen waardoor ze tijdens de ruil met elkaar kunnen worden vergeleken en wel dat het producten van de arbeid zijn.
De waarde is de in de waar belichaamde maatschappelijke arbeid van de warenproducenten.
Dat de waarde van de waren wordt bepaald door de arbeid die nodig is voor  het vervaardigen van die waren, wordt door algemeen bekende feiten bewezen. Op zichzelf nuttige materiële goederen, waarvoor echter geen arbeid  benodigd is, bijvoorbeeld lucht, hebben ook geen waarde. Materiële goederen  waar een grote hoeveelheid arbeid voor nodig is, zoals bijvoorbeeld goud en  diamanten, hebben een grote waarde. Vele waren die vroeger duur waren, zijn  veel goedkoper geworden, omdat er door de ontwikkeling van de techniek,
voor de vervaardiging ervan minder arbeid nodig is.
Achter de warenruil gaat de maatschappelijke arbeidsdeling schuil tussen  de mensen die de bezitters zijn van deze waren. Doordat de warenproducenten de verschillende waren aan elkaar gelijkstellen, stellen zij tevens de verschillende soorten van arbeid aan elkaar gelijk. Daardoor komen in de waarde  de productieverhoudingen tussen de warenproducenten tot uitdrukking.
Deze verhoudingen komen bij de warenruil aan het licht.
De waar bezit een tweeledig karakter: enerzijds is zij een gebruikswaarde, anderzijds een waarde. Het tweeledige karakter van de waar wordt bepaald  door het tweeledige karakter van de arbeid die in de waar belichaamd is. De soorten arbeid zijn net zo gevarieerd als de geproduceerde gebruikswaarden. De arbeid die op een bepaalde manier wordt verricht, is  concrete arbeid.
Deze concrete arbeid brengt de gebruikswaarde van de waar voort.
Bij de ruil worden de meest gevarieerde, door verschillende soorten concrete arbeid geproduceerde waren met elkaar geconfronteerd en met elkaar gelijkgesteld. Dus dan gaat er achter de diverse soorten van concrete arbeid iets gemeenschappelijks schuil, iets wat elke arbeid kenmerkt. De arbeid van de warenproducenten die verbruik van menselijke arbeidskracht in zijn algemeenheid is, is onafhankelijk van de concrete vorm ervan, is
abstracte arbeid. De abstracte arbeid vormt de waarde van een waar.
Abstracte en concrete arbeid zijn twee kanten van de in de waar belichaamde arbeid. ‘Alle arbeid is enerzijds verbruik van menselijke arbeidskracht in fysiologische zin en in die hoedanigheid van gelijke menselijke of abstracte menselijke arbeid, vormt zij de waarde van de waar. Anderzijds is elke arbeid verbruik van menselijke arbeidskracht in een bijzondere, doelgerichte vorm en in die hoedanigheid van concrete, nuttige arbeid produceert zij gebruikswaarden.’
De tegenstelling in de warenproductie bestaat dientengevolge daarin dat de  arbeid van de warenproducenten, die rechtstreeks een particuliere aangelegenheid van hen is, tevens een maatschappelijk karakter heeft. Dit maatschappelijke karakter van de arbeid in het productieproces blijft echter zolang verborgen totdat de waar op de markt komt en tegen een andere waar wordt geruild. Pas in het ruilproces blijkt of de arbeid van deze of gene warenproducent voor de samenleving noodzakelijk is en maatschappelijke waardering ondervindt.
Eenvoudige en samengestelde arbeid. De maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd. Aan de productie van waren nemen producenten deel
met een verschillende kwalificatie. De arbeid van een mens die geen speciale
opleiding heeft genoten, is eenvoudige arbeid. Arbeid waarvoor een speciale
opleiding nodig is, heet samengestelde of gekwalificeerde arbeid.
De samengestelde arbeid produceert in een bepaald tijdsbestek een grotere
waarde dan de eenvoudige arbeid. Aan de waarde van de door de samengestelde arbeid voortgebrachte waar wordt ook het deel van de arbeid toegevoegd dat besteed werd aan de opleiding van de producent. Het herleiden van
allerlei soorten samengestelde arbeid tot eenvoudige arbeid voltrekt zich op
natuurlijke wijze. De samengestelde arbeid komt overeen met vermenigvuldigde eenvoudige arbeid; een uur samengestelde arbeid is gelijk aan meerdere
uren eenvoudige arbeid.
De waardegrootte van de waar wordt bepaald door de arbeidstijd. Hoe meer
tijd er nodig is voor de productie van een waar, des te groter is de waarde ervan.
Zoals bekend is, werken de afzonderlijke warenproducenten onder verschillende omstandigheden en besteden zij aan de productie van dezelfde soort
waren verschillende hoeveelheden arbeidstijd. Betekent dit dat hoe luier een
producent is en hoe ongunstiger de arbeidsomstandigheden zijn, des te groter de waarde van de waar is? Nee, dat betekent het niet. De grootte van de
waarde van een waar wordt niet bepaald door de individuele arbeidstijd die
door de afzonderlijke warenproducenten besteed wordt aan de productie van
een waar, maar door de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd.
Maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd is de tijd die noodzakelijk is voor
de productie van een waar onder gemiddelde maatschappelijke productieomstandigheden, dat wil zeggen bij een gemiddeld technisch niveau, gemiddelde
vaardigheid en gemiddelde arbeidsintensiteit. De maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd verandert door de stijging van de arbeidsproductiviteit.

Controlevragen

Wie dit hoodstuk verwerkt heeft moet nu kunnen antwoorden op de volgende vragen.
1. Is de warenproductie eigen aan het kapitalisme?
2. Wat is het fundamenteel verschil tussen kapitalisme en warenproductie?
3. Is de gebruikswaarde de basis voor het berekenen van de prijs van een waar?
4. Geef vijf voorbeelden van dingen die een gebruikswaarde hebben maar geen ruilwaarde.
5. Op basis van welke fundamentele eigenschap van de waren kunnen die onder mekaar tegen een bepaalde prijs worden uitgewisseld?
6. Albert produceert tafels en Bernard stoelen. Albert heeft 6 uur nodig om een tafel te maken en Bernard fabrikeert een stoel in twee uur. In de veronderstelling dat een arbeidsdag 12 u. bedraagt, op welke basis zullen de producten van Albert en van Bernard worden uitgewisseld? Waarom?
7. Wat is de rol van de wet van vraag en aanbod in het bepalen van de prijs van de waren?
synthese
Marx begint Het Kapitaal met de zin: " de rijkdom van de naties waar de kapitalistische productiewijze overheerst drukt zich uit in een onmetelijke accumulatie van waren ".
De ruilwaarde is geen eigenschap van de dingen maar drukt zich uit in de ruil, dwz een maatschappelijke verhouding. De waren kunnen niet zelf naar de markt gaan.
De gebruikswaarde is de basis. In een primitieve communistische samenleving ruilt men gebruikswaarden uit. De mensen beginnen een beetje graan te telen voor hun grot. Zij hebben wat graan teveel en de kerel langs hen ook. Graan tegen graan proberen te ruilen? Om te ruilen moet er een minimum van arbeidsdeling zijn, bijv. tussen sedentaire stammen en nomaden.
Kan men over warenruil spreken onder dwang van een knots? Kan een slaaf waren ruilen? De mensen die waren ruilen moeten vrij eigenaar zijn van hun waar, buiten elke dwang (andere dan economische natuurlijk: de vrijheid van de proletariër om zijn arbeidskracht niet te verkopen is heel relatief).
Op welke basis worden waren uitgewisseld in het begin, wanneer de ruil nog vrij zeldzaam is en toevallig? Op basis van zeldzaamheid, of op basis van de hoeveelheid arbeid, maar die is niet altijd gemakkelijk in te schatten. Naarmate het aantal ruilhandelingen verhoogt (= kwantiteit) kunnen de mensen gemakkelijker de waarde inschatten (= de noodzakelijke arbeidstijd). Vooral doordat zij in die periode nog een direct contact hebben met de meeste ambachten (open smidse bijv.).
MENSELIJKE arbeid aan de basis van de waarde. Waarde van spitten door een man met een schup tegenover man met ploeg en paard.  Waarom schept een robot geen waarde?

Het verband tussen de waardetheorie en de curve van vraag en aanbod

Ugent cursus economie 2008 p3 tot 5 : de curve van vraag en aanbod; het dynamisch aspect van die curven.
Het verband met de waardetheorie: Marx Het Kapitaal (LC LIII I p.204)
"Niets is gemakkelijker te begrijpen als de onregelmatigheden tussen vraag en aanbod  evenals het verschil dat daaruit voortvloeit tussen marktprijs en marktwaarde. De moeilijkheid begint met de definitie van wat men verstaat onder de uitdrukking: het aanbod dekt de vraag.
Vraag en aanbod vallen samen wanneer zij zich zo tot elkaar verhouden dat de massa waren van een bepaalde productiesector verkocht kan worden aan zijn waarde, noch eronder, noch erboven. Ziedaar onze eerste vaststelling.
De tweede is: aanbod en vraag vallen samen wanneer de waren verkoopbaar zijn aan hun marktwaarde.
Doordat zij overeenkomen, stopt de actie van vraag en aanbod, en het is juist om die reden dat de waar verkocht wordt aan zijn marktwaarde. Wanneer twee gelijke krachten in tegenovergestelde richting werken, annuleren zij zich. Wat er onder die voorwaarden gebeurt moet zijn uitleg elders vinden dan in de tussenkomst van die twee krachten.
p.205 Vraag en aanbod kunnen op een heel gevarieerde manier de annulering veroorzaken van het effect teweeggebracht door hun ongelijkheid. Als bijvoorbeeld de prijs daalt als gevolg van een vermindering van de vraag, kan het gebeuren dat kapitaal wordt weggetrokken. Het aanbod vermindert daardoor. Maar het is in dit geval ook mogelijk dat de marktwaarde daalt als gevolg van uitvindingen die de noodzakelijke arbeidstijd verminderen. De waarde zal daardoor zich afstemmen op de prijs. Als omgekeerd de vraag stijgt, en daardoor de marktprijs optrekt boven de marktwaarde, is het mogelijk dat een te grote massa kapitaal zich naar die sector wendt waardoor de productie stijgt. in dat geval daalt de marktprijs onder de marktwaarde. En tenslotte bestaat de mogelijkheid dat een prijsverhoging de vraag doet dalen. Een laatste mogelijkheid is dat, in een of andere productiesfeer, de marktwaarde stijgt voor een min of meer lange periode; deze stijging is dan het gevolg dat een deel van de producten gevraagd in de loop van die periode geproduceerd moeten worden aan slechtere voorwaarden.
p.207 Opdat een waar zou kunnen verkocht worden aan zijn waarde, dwz proportioneel aan de maatschappelijke arbeid die zij bevat, moet de totale massa sociale arbeid gebruikt voor de totaliteit van dit soort product overeenkomen met het belang van de sociale noden die voor dit product bestaan, dwz aan de solvabele sociale behoefte. De concurrentie, de prijsschommelingen die beantwoorden aan de schommelingen van de verhouding tussen vraag en aanbod proberen voortdurend de totale hoeveelheid sociale arbeid gebruikt voor elk soort producten daartoe te herleiden.
Maar vergeten wij  niet dat in de prekapitalistische samenleving de markt en de waar voor de meeste mensen slechts een klein deel van hun dagelijks bestaan bepaalt: zij leven (op het platteland vooral) in autarchie.
Welk is het  doorslaggevend element die die situatie doet kantelen en die de mensen afhankelijk maakt van de markt? Het verlies van hun grond, of, meer algemeen uitgedrukt, van hun productiemiddelen. De miserie schept een markt voor het kapitalisme.
Grosso modo kunnen wij zeggen dat het kapitalisme de hele wereld dekt sedert het eind van de XIX eeuw. Maar die ontwikkeling is nog niet afgelopen. De "neoliberalen" willen dat de onzichtbare hand van de markt alles regelt. Dit is ook het basisprincipe van de WHO: alles door de markt; ten hoogste kunnen uitzonderingen worden toegelaten, mits grondige motieven.

Geld

Inleiding
Oorspronkelijk kwam de ruil tot stand door de rechtstreekse ruil van het ene product tegen het andere. Met de ontwikkeling van de ruil wordt deze rechtstreekse ruil en belemmering. Uit de verzameling waren  wordt een waar afgezonderd waartegen mettertijd alle andere waren geruild worden. Dit ontwikkelingsstadium van de ruil komt overeen met de algemene waardevorm. Geleidelijk werd de rol van algemeen equivalent veroverd door de edele
metalen zilver en goud.
John Maynard Keynes minachtte het baseren van de geldvoorraad op "dood metaal" en noemde de gouden standaard "dat barbaarse relikwie".  
Het papierengeldsysteem dat de Schot John Law in 1716 uitdokterde in Frankrijk stortte na vier jaar volledig in elkaar, en de Franse assignaten van 1789 zonken in vijf jaar tijd weg in een hyperinflatie. De econoom Tommaso Padio-Schioppa, één van de peetvaders van de Euro in 1999: “De laatste link met  goud werd minder dan 30 jaar geleden doorgesneden,  en het was enkel de komst van de euro die zorgde  voor een onthechting van de staat. Dit laatste  kenmerk bij een munt die in feite  gewoon een stukje papier is, doordat ze niet in goud zit verankerd, is van bijzonder belang. Waarom? Omdat het feit dat  mensen goederen en diensten ruilen tegen iets dat geen andere waarde heeft dan het vertrouwen dat erin geplaatst wordt, is één van de meest indrukwekkende uitingen is van de banden die een samenleving verenigen”.
Willem Duisenberg in 2002:“De euro vertegenwoordigt het wederzijdse vertrouwen dat aan de basis van onze gemeenschap ligt. het is de eerste munteenheid die niet alleen de link met het goud heeft doorgesneden, maar ook de link met de natiestaat”
De ontwikkeling van de waardevormen. Het wezen van het geld (LPE p92 pdf).
De eenvoudigste vorm van de waarde is de uitdrukking van de waarde van  een waar in een andere waar. Oorspronkelijk droeg de ruil een toevallig karakter en kwam tot stand door de rechtstreekse ruil van het ene product tegen het andere. Dit ontwikkelingsstadium van de ruil komt overeen met de eenvoudige en toevallige waardevorm:
1 bijl = 20 kilogram koren.
Bij de eenvoudige waardevorm kan de waarde van de bijl alleen in de gebruikswaarde van één waar – in ons voorbeeld het koren –  worden uitgedrukt.
Met de groei van de maatschappelijke arbeidsdeling wordt het ruilen steeds  meer tot regel. Enkele stammen, bijvoorbeeld stammen die veeteelt bedrijven, met de totale of ontplooide
waardevorm. Aan de ruil nemen nu niet slechts twee, maar een hele reeks van waren deel. De waarde van de waar wordt uitgedrukt in de gebruikswaarde van vele waren, die als equivalent dienen. Gelijktijdig krijgen de kwantitatieve verhoudingen waarin de waren werden geruild een bestendiger karakter. In dit ontwikkelingsstadium blijft echter de rechtstreekse ruil van de ene  waar tegen de andere nog bestaan.
Met de verdere ontwikkeling van de  warenproductie treden moeilijkheden op in het ruilproces als  gevolg van de toename van de tegenstellingen in de warenproductie. Steeds
vaker komt de situatie voor dat bijvoorbeeld de eigenaar van laarzen een bijl nodig heeft, terwijl de eigenaar van een bijl echter geen laarzen, maar koren nodig heeft. Met het oog daarop ruilt de eigenaar van de laarzen die dan om tegen een waar die vaker geruild wordt dan andere waren. Uit de verzameling waren  wordt een waar afgezonderd, bijvoorbeeld vee, waartegen mettertijd alle andere waren geruild worden. Dit ontwikkelingsstadium van de ruil komt overeen  met de algemene waardevorm. Dat algemeen equivalent kwam na verloop van tijd in tegenspraak  met de behoeften van de groeiende markt, die noodzaakte tot de overgang  naar een uniform equivalent. Deze rol werd geleidelijk veroverd door de edele
metalen zilver en goud.
Zodra de rol van algemeen equivalent samenviel met een bepaalde waar, bijvoorbeeld met het goud, ontstond de geldvorm van de waarde.
De functies van het geld.
In de mate waarin de warenproductie zich uitbreidt, ontwikkelen zich de functies van het geld. In de ontwikkelde warenproductie dient het geld als: 1. de maat van de waarden. 2. circulatiemiddel, 3 accumulatiemiddel. 4. betalingsmiddel. 5. wereldgeld.
de maat van de waarden.
De belangrijkste functie van het geld is als maat te dienen voor de waardeuitdrukking van de waren. De waarde van  de waar kan niet rechtstreeks uitgedrukt worden in de arbeidstijd omdat het bij  de geïsoleerdheid en de versnippering van de particuliere warenproducenten de warenproductie niet mogelijk is de hoeveelheid arbeid vast te stellen, die niet de afzonderlijke
warenproducent, maar de maatschappij in zijn geheel voor de productie van de  een of andere waar gebruikt. Om de functie van de waardemaat te kunnen vervullen, moet het geld zelf  een waar zijn, moet het waarde bezitten. De in geld uitgedrukte waarde van de waar is de prijs ervan. De prijs is de uitdrukking in geld van de waarde van de waar.
De waren drukken hun waarde uit in bepaalde hoeveelheden zilver en goud. De maateenheid voor het geld wordt gevormd door een bepaald gewicht van het geldmetaal.
De geldeenheid met zijn onderverdelingen dient als maatstaf van de prijzen. In de hoedanigheid van maatstaf van de prijzen speelt het geld een volkomen andere rol dan in de hoedanigheid van waardemaat. Als maat van de waarden  meet het geld de waarde van andere waren, in de hoedanigheid van maatstaf van de prijzen echter meet het de hoeveelheid van het geldmetaal zelf.
De waarde van de waar geld verandert zodra de hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeid nodig voor de productie ervan verandert. De staat kan wel het goudgehalte van de geldeenheid veranderen, maar niet de waardeverhouding tussen het goud en de overige waren.
De prijzen van de waren kunnen stijgen of dalen onder invloed van een verandering in zowel de waarden van de waren als in de waarde van het goud.
De waarde van het goud hangt af van de arbeidsproductiviteit, net als dat het  geval is bij alle overige waren. Zo heeft de ontdekking van Amerika met zijn rijke goudvelden en vooral de ontdekking van de Braziliaanse goudvindplaatsen in de 17e  eeuw geleid tot een revolutie van de prijzen. In Amerika werd goud met minder arbeidsinspanning gedolven dan in Europa.
Het geld oefent de functie uit van circulatiemiddel. De functie van het geld als circulatiemiddel bestaat eruit dat het in het circulatieproces van de waren optreedt als bemiddelaar. Geleidelijk werden de staven door  munten vervangen. Het slaan van munten was geconcentreerd in handen van de staat.
Het geld hoeft in de hoedanigheid van circulatiemiddel niet absoluut zélf een waarde te hebben. De regeringen begonnen bewust de zuiverheidsgraad van het geldmetaal te
verminderen. De munten werden steeds meer  een symbool van waarde, een geldsymbool.
Het verdubbelen van de waar in waar en geld kenmerkt de ontwikkeling van de tegenstellingen in de warenproductie. In de eenvoudige warencirculatie zit al de mogelijkheid van crises besloten. Voordat deze mogelijkheid een noodzaak wordt, zijn er een reeks van voorwaarden nodig, die pas tot stand komen met de overgang naar de kapitalistische productiewijze.
Het geld heeft de functie van  accumulatiemiddel of middel tot  schatvorming. De functie van schat kan alleen vervuld worden  door volwaardig geld: gouden en zilveren munten, goud- en zilverstaven alsmede voorwerpen van goud en zilver.
Het geld heeft de functie van betaalmiddel. Het geld is betaalmiddel wanneer de koop en de verkoop van de waar plaats vindt op krediet. De functie van het geld als betaalmiddel brengt de verdere ontwikkeling van  de tegenstellingen in de warenproductie tot uitdrukking. Nu wordt de koper schuldenaar en de verkoper schuldeiser. Als vele warenbezitters op krediet kopen, dan kan het feit dat één of meer  schuldenaren op de vervaldatum niet in staat zijn te betalen, effect hebben op  een hele keten van schuldverplichtingen en het bankroet veroorzaken van een reeks van warenbezitters die door kredietverplichtingen met elkaar verbonden zijn. Hierdoor wordt de mogelijkheid van crises, die reeds besloten ligt in de
functie van het geld als circulatiemiddel, vergroot.
De hoeveelheid geld die in een bepaald tijdsbestek voor de circulatie nodig is, hangt
in de eerste plaats af van de som van de prijzen van de circulerende waren. Bovendien moet men rekening houden met de snelheid van de omloop van het geld.
Door het krediet dat de warenproducenten elkaar verlenen, vermindert de behoefte aan geld.
Contant geld is alleen nodig voor het voldoen van de schuldverplichtingen. Bijgevolg luidt de wet van de geldcirculatie dat de hoeveelheid geld die nodig  is voor de warencirculatie gelijk moet zijn aan de som van de prijzen van de  gezamenlijke waren gedeeld door het gemiddelde aantal keer dat geldstukken  van dezelfde soort circuleren. Daarbij moet men de som van de prijzen van de op krediet gekochte waren en tevens de som van de tegen elkaar wegvallende betalingen aftrekken  en de som van de vervallende kredietbetalingen erbij optellen.
Tenslotte dient het geld als wereldgeld in de circulatie tussen de afzonderlijke landen. Op de wereldmarkt ontdoet het geld zich van de muntvorm en neemt de oorspronkelijke vorm van staven edelmetaal aan.

Controlevragen

Wie dit hoofdstuk verwerkt heeft moet nu kunnen antwoorden op de volgende vragen.

1. Welke waardevorm is de rechtstreekse en toevallige ruil van het ene product tegen het andere? Naar welke waardevorm evolueert die ruil naarmate hij veelvuldiger wordt?
2. Wat is het verschil tussen algemeen en uniform ekwivalent?
3. Vanaf welk moment kunnen wij spreken van geldvorm?
4. Wat is het verschil tussen prijs en waarde?
5. Moet geld, in de hoedanigheid van circulatiemiddel, zelf een waarde hebben? En als accumulatiemiddel?
6. W of V: de hoeveelheid geld nodig voor de warencirculatie moet gelijk zijn aan de som van de prijzen van alle waren.

Goud – discussieteksten

In een latere fase hoop ik de kritiek op deze discussieteksten te publiceren. Wie ondertussen zijn kritieken of vragen wil toetsen kan mij altijd contacteren.
Om te beginnen het belang van de fysische waar ‘goud’ in 2012
Ds 17 augustus 2012 Ons land zit op een goudreserve 227 ton, te vergelijken bij de 1.300 ton die België een kwarteeuw geleden bezat. Bovendien kan de goudreserve de eerste jaren door internationale afspraken niet worden verkocht.  De centrale banken kwamen overeen niet meer ‘in het wild’ te verkopen (maximaal 400 ton goud per jaar). De goudprijs steeg van 650 euro per ons drie jaar geleden tot 1.260 euro nu. De waarde van de goudreserves liep daardoor op van 4,87 miljard euro tot 9,12 miljard. In dezelfde periode klom de Bel20 maar 6 procent. Beleggers vluchtten sinds de crisis massaal in goud en jagen zo de prijs omhoog. Maar heel wat economen twijfelen aan de duurzaamheid van die prijsstijging. Na een kortstondige opstoot tot 850 dollar begin 1980, bleef de prijs gedurende een kwarteeuw stabiel rond 360 dollar.  De officiële reserves van de Bank bestonden in de jaren zeventig nog voor bijna tweederde uit goud. Nu is dat zo’n 40 procent, en bij een meer normale goudprijs zou dat hooguit een kwart zijn. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd tweederde van de voorraad in veiligheid gebracht in de VS, Canada en Groot-Brittannië. In 1947, toen de Koude Oorlog uitbrak, vertrok nagenoeg alle resterend goud uit België en ging een derde uit Londen richting New York. Bij het uitbreken van de Koreaanse oorlog in de jaren vijftig werd het laatste goud uit de Europese depots verscheept naar Canada. Wat er sindsdien mee gebeurde, blijft een goed bewaard geheim.
Eind 1990 bezat de NBB nog 1.175ton goud die op dat ogenblik 11,27 miljard euro waard was. Tegen een marktkoers die nagenoeg dezelfde was in 2000 waren de 258 ton goud die de Nationale Bank toen bezat 2,4 miljard euro waard. Sinds 2000 is de marktkoers van het goud gestegen van 9.420 tot 33.224 euro per kilo.

De productie van goud

De productie van goud is lonend bij aanwezigheid van circa 4 gram goud per ton gesteente. Het goud in goudbevattende ertsen wordt opgelost in kwik. Vervolgens wordt het kwik afgedestilleerd, waarbij ruw goud (90 % zuiver) ontstaat. Via elektrolytische weg wordt zuiver goud (meer dan 99,95 %) verkregen.
De goudproductie in Zuid-Afrika van 2012 wordt verwacht te dalen tot 220 ton, het laagste niveau sinds 1922. Slechts 40 jaar geleden produceerde het land nog meer dan 1.000 ton goud per jaar. Door de daling van 80 % zag Zuid-Afrika andere landen zoals Rusland, China, Australië en Amerika voorbijsteken als grootste producenten. Vele grote mijnen zijn uitgeput en worden gesloten. Globale goudproductie piekte in 2000. Het dalend aanbod is een van de ondersteunende factoren voor de goudprijs.
In de 16e eeuw - de gouden tijd voor de Spanjaarden in de Nieuwe Wereld- werden slechts 154 ton goud opgegraven. Dit is minder dan de helft van de goudproductie tijdens het jaar 1900. De Spanjaarden verkregen voornamelijk zilver uit de Nieuwe Wereld – de zilvervloot: 7440 ton in de 16e eeuw. Eind 2011 was ongeveer 165.000 ton beschikbaar op wereldvlak dwz een kubus met zijden van 20 meter. Elk jaar produceren we ongeveer 2.500 ton goud.
Zelfs met een goudkoers die verveelvoudigde lukte het de afgelopen tien jaar de goudmijnen niet de goudproductie fors toe te laten nemen. Er was wel een enorme toename in het terug op de markt komen van goud van particulieren, van 749 ton in 2001 tot 1.695 ton in 2009 waarna in 2010 het weer terugliep naar 1.645 ton.
In 2001 gebruikten we wereldwijd 3.009 ton voor juwelen. In 2010 was dat nog slechts 2.017 ton.Andere toepassingen, denk aan connectoren voor computers en verfraaiing van dure inboedels verbruikte in 2001 474 ton en in 2010 maar liefst 762 ton. In 2001 werd 83 ton gebruikt voor het slaan van munten en in 2010 ging het om 207 ton.
In 2001 ging er nog 69 ton in gouden tanden, in 2010 was dit nog slechts 49 ton. De totale vraag naar goud was in 2001 3.915 ton; in 2010 4.334 ton.

GOUD HOUDT DE WERELDDRAAIENDE

 8.487.797.102.400$. Dat is de totale waarde van de 165.000 ton goud dat zich op deze aardbol bevindt: voor elk van de 7 miljard mensen 24 gram goud ( een gouden trouwring weegt 5 gram). Een kubus met een zijde van 20 meter. Elk jaar wordt er 2500 ton goud ontgonnen.
Hiervan werd slechts 24.000 ton ontgonnen werd voor de 20e eeuw. De plundering van de Azteken en de Inca’s bracht aan de Spanjaarden 154 ton goud op, tegen 7440 ton zilver.
Goudmijnen en rente
http://www.beursbox.nl/columns/column129.html 6 dec 2004 Na de 20 jaar depressie waar 90% van de sector is onderuit gegaan krijgt een goudmijn die enkele jaren geleden nog marginaal draaide nu $450+ per ounce. Harmony, Crystallex en Durban Deep maken zelfs met deze goudprijs nog geen winst. Kinross productie $240 per ounce. Goldcorp is de goedkoopste producent met een kostprijs $60 per ounce!

Volgens Mandel, de grote economist van de 4° Internationale, blijft de waarde van het goud +- stabiel.
Hij baseert hierop een (ook verkeerde) theorie over de historische rol van de inflatie op lange termijn voor het kapitalisme. In die (verkeerde) veronderstelling is zijn vergelijking met de prijs voor een wagen wel pedagogisch interessant.
“De formule 1 pond goud = 1 Volkswagen betekent dat eenzelfde hoeveelheid maatschappelijk noodzakelijke arbeid vereist is om één pond goud en om één Volkswagen te produceren. Er bestaat echter een belangrijk verschil tussen normale waren en de waar geldmateriaal (goud). Terwijl alle waren hun afzet zien inkrimpen zodra de vraag gedekt is, is dit voor goud normalerwijze niet het geval. Als algemeen equivalent kan goud immers altijd worden gebruikt voor doeleinden van schatvorming. “Goud dat geen koper vindt” bestaat niet. Daalt de waarde van het goud te sterk, dan zullen de marginale goudmijnen volledig ophouden te produceren (d.w.z. dan zal kapitaal uit de goudproductie afvloeien). Stijgt de waarde van het goud, dan zullen marginale mijnen opnieuw beginnen te produceren. Overproductie van goud komt onder die omstandigheden nooit voor.
De ruilwaarde van waren wordt bepaald door de maatschappelijk noodzakelijke hoeveelheid arbeid die hun productie vereist. Wanneer in de loop van dertig jaar de arbeidsproductiviteit in de automobielnijverheid verdrievoudigt, maar in de goudmijnen dezelfde blijft, dan zullen in dezelfde duur van de arbeidstijd driemaal zoveel auto’s als vroeger geproduceerd worden, terwijl de gedurende dezelfde tijd geproduceerde hoeveelheid goud niet verandert. Dan stijgt de koopkracht van het goud met 300% (http://www.marxists.org/nederlands/mandel/1972/1972inflatie.htm 20 augustus 1972 De Internationale 1e jaargang, nr.1).

Suzanne de Brunhoff

de Brunhoff wil het Marxisme verder ontwikkelen ivm de rol van het goud. In feite toont ze hiermee dat ze er niets heeft van verstaan.
Marx analyzes a particular form of money, the case where a commodity gold becomes the "general equivalent". What is problematic in this situation is that gold is simultaneously a concrete commodity with its own conditions of production and non-monetary use value, and the expression of value separate from particular commodities. Gold, however, may not exchange against other commodities in proportion to their embodied labor times. The production of gold may involve a higher or lower than average organic composition of capital, so that the equalization of the profit rate in gold production to the profit rate in other sectors requires that gold exchange for more or less than its labor value. There may be other elements of monopoly or unequal exchange in gold production. Under these circumstances the value of gold will not be equal to the value of money.
In the development of Marxist theory the problem of the determination of the value of money separate from the value of the money commodity has not attracted much attention. I am tempted by a path, which is more radical in its approach to Marx's theory. What agents want, once value is well established as a social phenomenon, is value itself, but how can they get it? The most immediate method of transferring value would be through promises. Alternatively, the State might stand at the apex of the chain of promises of higher and higher social validity. State credit, rather than gold, then would be the ultimate means of payment for private transactors.
In Marx's conception, gold is the truly present money, and forms of credit are only substitutes which stand in for gold and must vanish in the ultimate moment of payment.
Following the second theoretical path, we would view credit as analytically the first form of money, and gold only as an ultimate mediation brought forcibly into play when exchange reaches a point of crisis.

greenspan Het goud en de economische vrijheid 12-sep-2003

http://www.libertarian.nl/NL/archives/000336.php Hieronder een tekst van Alan Greenspan, die 18 jaar lang de Amerikaanse bank leidde. Hij betitelde de crisis van 2008 als "een tsunami die maar één maal om de honderd jaar voorkomt". Zijn oplossing is terug naar een goudstandaard. Het eerste stuk van de tekst kan paralel gelezen worden met de thesissen van Marx over het geld.Het tweede stuk is zijn pleidooi voor een nieuwe goudstandaard: “Bij het ontbreken van de goud-standaard is er geen veilige opslagplaats van waarde. De financiële politiek van de verzorgingsstaat vereist dat de bezitters van rijkdom zich op geen enkele manier kunnen beschermen. Het goud fungeert als de beschermer van de eigendomsrechten”.
>>> “Geld is dat goed, dat voor alle deelnemers in een ruileconomie aanvaardbaar is als betaling voor hun goederen of diensten, en dat zodoende kan fungeren als een norm van de marktwaarde en als een middel om waarde op te slaan, dat wil zeggen, om te sparen.

Als de mensen niet de beschikking hadden over een of ander goed met objectieve waarde dat algemeen aanvaardbaar was als geld, dan zouden ze hun toevlucht moeten nemen tot de primitieve ruilhandel.
De keuze, welk ruilmiddel voor alle deelnemers in een economie aanvaardbaar is, geschiedt niet willekeurig. Ten eerste dient het ruilmiddel duurzaam te zijn. Een metaal wordt meestal gekozen omdat het homogeen en deelbaar is. Kostbare juwelen, bijvoorbeeld, zijn noch homogeen, noch deelbaar.

Nog belangrijker is, dat het goed dat als ruilmiddel wordt gekozen een luxe artikel moet zijn (Opm. HH: hier gaat hij de mist in: het moet vooral een artikel zijn dat veel waarde bevat in een klein volume). Het menselijk verlangen naar luxe goederen is onbeperkt. Tarwe is een luxe artikel in ondervoede beschavingen, maar niet in een welvaartsmaatschappij. Sigaretten zullen normaliter niet in aanmerking komen om als geld te fungeren, maar dat was wel het geval in het Europa van vlak na de tweede wereldoorlog, toen ze als een luxe werden beschouwd.
De uitdrukking 'luxe goederen' impliceert schaarste en een hoge stukwaarde. Doordat het een hoge stukwaarde bezit, is zo'n goed gemakkelijk draagbaar; een ons goud is, bijvoorbeeld, een halve ton ruw ijzer waard.
Of het enige ruilmiddel nu bestaat uit goud, zilver, zeeschelpen, vee of tabak is ter keuze, dat hangt af van de aard en ontwikkeling van een bepaalde economie (Opm. HH contradictio in terminis: als het afhangt van de ontwikkeling van de economie is er geen keuze). Zelfs in deze eeuw zijn twee van deze goederen, het goud en het zilver, nog als internationale ruilmiddelen gebruikt, waarbij het goud het zilver geleidelijk heeft verdrongen.
Als alle goederen en diensten in goud zouden worden uitbetaald, dan zouden grote betalingen moeilijk uitvoerbaar zijn, en dit zou tot gevolg hebben dat de arbeidsverdeling van een samenleving tot op zekere hoogte zouden moeten worden beperkt. Een logisch vervolg op de instelling van het ruilmiddel is dan ook de ontwikkeling van een bankstelsel. Aangezien het zelden voorkomt dat alle beleggers tegelijkertijd al hun goud zullen opvragen, hoeft de bankier slechts een fractie van zijn totale gouddeposito in reserve te houden”.
Het tweede deel van zijn tekst gaat over wereldgeld waar het geld volgens Marx de oorspronkelijke vorm van staven edelmetaal aanneemt. Op het eerste gezicht is Greenspan het roerend eens met Marx en pleit hij voor het herinvoeren van een goudstandaard.
“Een onbelemmerde vrije internationale goudstandaard bevordert een zo groot mogelijke internationale handel. Wanneer in een bepaald land de banken wat al te gul krediet verlenen, dan zal de rentevoet in dat land geneigd zijn te dalen, waardoor de beleggers hun goud overhevelen naar andere landen met een hogere rente. Dit zal in het eerstgenoemde land onmiddellijk een tekort aan bankreserves veroorzaken, hetgeen weer zal leiden tot strengere kredietnormen en een terugkeer tot een hogere rentevoet.

Een volledig vrij bankstelsel en een volledig consequente goudstandaard zijn tot dusver nog niet bereikt. Maar reeds voor de eerste wereldoorlog was het bankstelsel op het goud gebaseerd. De beperkte goudreserves riepen de onevenwichtige expansie van de industriële activiteit een halt toe, voordat ze al te grote afmetingen kon gaan aannemen. Maar het tekort aan bankreserves veroorzaakte ook een industriële inzinking. Men zocht een methode om de banken extra reserves te verlenen. Als de banken onbeperkt geld konden blijven lenen, dan hoefde het bedrijfsleven nooit meer een recessie te ondergaan. En zo werd in 1913 het Federal Reserve System ingesteld. Naast het goud kon nu ook het krediet dat door de Federal Reserve banken werd verstrekt (de zogenaamde'papieren'reserves) als wettig betaalmiddel worden gebruikt.

Toen het bedrijfsleven in de Verenigde Staten in 1927 een lichte teruggang onderging, creëerde de Federal Reserve extra papieren reserves. Dit extra krediet stroomde door naar de aandelenmarkt - waardoor er een ongekende speculatieve hausse ontstond. Tegen 1929 had de koortsachtige speculatiedrift zulke overweldigende afmetingen aangenomen, dat men belandde in de Grote Depressie van de jaren dertig.
De étatisten beweerden dat de goud-standaard grotendeels verantwoordelijk was voor het kredietdebâcle dat tot de Grote Depressie had geleid. Maar het verzet tegen elke vorm van goud-standaard werd ingegeven door het besef dat de goud-standaard onverenigbaar is met een politiek van chronische overbesteding (het waarmerk van de verzorgingsstaat).
Onder een goud-standaard wordt de hoeveelheid krediet die een economie kan verdragen bepaald door de tastbare activa van die economie, aangezien elke vorm van krediet uiteindelijk niets anders is dan een claim op het een of andere tastbare bezit. Maar regeringsobligaties worden niet gesteund door tastbare rijkdom, alleen door de belofte van de regering dat ze uit de belastinginkomsten zullen worden betaald.
De aanhangers van de verzorgingsstaat creëerden papieren reserves die door de banken werden aanvaard alsof ze het equivalent waren van een gouddeposito. Wanneer het aanbod van geld (van claims) toeneemt in verhouding tot het aanbod van tastbare bezittingen, dan moeten de prijzen op den duur wel stijgen. Op die manier gaan de spaargelden van de produktieve leden van de samenleving, in goederen uitgedrukt, duidelijk in waarde achteruit. Wanneer de economische boekhouding tenslotte weer in balans is gebracht, merkt men dat dit waardeverlies overeenkomt met de sociale voorzieningen die door de regering zijn betaald uit de opbrengst van de regeringsobligaties die gefinancierd zijn door de uitbreiding van het bankkrediet.
Bij het ontbreken van de goud-standaard is er geen veilige opslagplaats van waarde. De financiële politiek van de verzorgingsstaat vereist dat de bezitters van rijkdom zich op geen enkele manier kunnen beschermen. Het goud fungeert als de beschermer van de eigendomsrechten”. Alan Greenspan

Marktgoeroe Friedman over het wereldgeld

Hoewel Friedman net als Greenspan en  Bernanke bij de monetaristen wordt gerekend spreekt hij in onderstaande tekst Greenspan tegen
"Het argument voor hoge invoertaksen dat sentimenteel het meest aanspreekt is de bescherming van  het hoge levensniveau van de Amerikaanse arbeider tegen de "oneerlijke" concurrentie. Nemen wij een extreem voorbeeld. Veronderstellen wij dat in het begin 360 yen een $ waard zijn. Veronderstellen wij dat aan die wisselvoet de japanners alles kunnen produceren en verkopen voor enkele $ minder als wij dat kunnen in de VS. Als er een absolute vrijheid was om handel te voeren met het buitenland, zouden wij proberen alles te kopen in Japan. Hoe zouden wij de japanners betalen? Wij zouden hen $ aanbieden in speciën. Maar natuurlijk zouden de Japanners ons geen nuttige goederen verkopen in ruil voor nutteloze stukjes papier. Maar wie zou hun $ willen kopen? Niemand zou aannemen 360 yen te geven in ruil voor een $ als men met 360 yen meer van alles kan kopen in Japon als een $ kan kopen in de VS. De uitvoerders zullen minder yen aannemen voor elke $. De prijs van de $ in yen zal dalen tot op het moment waar gemiddeld de $-waarde van de goederen die de Japanners kopen in de USA ongeveer gelijk zal zijn aan de $-waarde van de goederen die de USA kopen in Japon.
Andere complicatie: de $ en de yens dienen niet alleen om goederen en diensten te kopen aan andere landen maar ook om te investeren. Geen enkele van die complicaties verandert onze conclusie voor het extreem hypothetisch geval. In de echte wereld, juist zoals in die hypothetische wereld, kan er geen probleem van betalingsbalans zijn zolang de prijs van de $ in functie van de yen, de DM of de frank bepaald is door een vrije markt door vrijwillige transacties." (M&R. Friedman, La liberte du choix, Belfond, Paris, 1980, p.57-60)

Dezelfde Friedman over de crisis van 1929

Het monetarisme concentreert zich op de vraag en aanbod van geld, als een primaire manier waarop economische activiteit kan worden geregeld.Voor hen is de crisis van 1929 veroorzaakt door verminderen van het monetaire volume door het Federaal reservesysteem, in plaats van de hoeveelheid beschikbare liquiditeiten te verhogen.

"De depressie die begon midden 1929 zou voor de VS een catastrofe zonder voorgaande zijn. Het inkomen in $ van het land verminderde met de helft tussen het begin van de crisis en het moment waarop de economie de grond raakte in 1933. De totale productie verminderde met een derde, en de werkloosheid bereikte een nooit gekend niveau van 25%.
De volksmond vertelt dat de depressie begon op zwarte donderdag. De beurskrach is heel belangrijk geweest, maar dat was niet het begin van de depressie. Natuurlijk zaaide de krach  veel twijfel. De consumenten en de ondernemingsleiders weigerden geld uit te geven en wilden hun liquides reserves opdrijven in geval van nood.
In plaats van de hoeveelheid beschikbare liquiditeiten te verhogen, om de ineenstorting van het zakenleven te compenseren, liet het Federaal reservesysteem het monetaire volume langzaam verminderen gedurende heel het jaar 1930 (- 2,6%). De Federale Reserve reageerde na twee jaar zware depressie met een verhoging van de interestvoet. Op 6 maart 1933 kondigde President Roosevelt uiteindelijk de sluiting van de banken aan over heel het land. Wanneer hij na 10 dagen de banksluitingen ophief, waren 10 000 op de 25 000 banken van midden 1929 verdwenen."

Un projet de monnaie locale à Louvain-la-Neuve

LLB 16/8/2012 Bernard Simon est un des premiers à avoir fondé un SEL en Belgique, en 1996. Il revendique pour les citoyens l’autorisation de "développer une économie alternative en marge de l’économie marchande". Il  planche sur un projet de monnaie locale à Louvain-la-Neuve, dans un groupe de réflexion au sein du "Réseau Financement alternatif". Mais il n’est pas le seul : Laurent Dombret, membre du "RadiSEL", à Braine-le-Comte, et producteur de légumes, a déposé un dossier au ministère des Finances pour tester la fiscalité d’une monnaie alternative : le minuto. Il espère la mettre en circulation en janvier 2013.

Et si on privatisait la monnaie ?

Bruno Colmant UCL et Vlerick Management School llb 29/04/2012
Maintenant que le champ d’activité des grandes entreprises dépasse les frontières des continents, pourquoi ne pourraient-elles pas émettre leur propre monnaie ? Certains groupes utilisent déjà des paniers de monnaies pour la facturation de leurs transactions internes.
Ce ne sont, bien sûr, que des monnaies virtuelles et purement comptables, puisque l’interface de ces entreprises avec leurs clients finaux s’effectue toujours dans une devise officielle (USD, euro, etc.). Mais on pourrait songer à de véritables nouvelles monnaies, propres à des groupes d’entreprises. Evidemment, il faudrait que ces nouveaux étalons monétaires inspirent suffisamment confiance pour servir à la fois de moyen de paiement et de thésaurisation.
Google avait imaginé créer sa propre monnaie, Google bucks. Facebook a aussi développé un système de crédit pour acquérir des biens virtuels.
Hayek et Friedman ont théorisé la création de monnaies privées. Les Etats trop endettés finissent toujours par utiliser la planche à billets, c’est-à-dire de l’inflation confiscatoire. En période de fragilité monétaire, les particuliers se réfugient dans des monnaies supranationales (tels l’or et l’argent physiques dont l’émetteur est la nature) ou dans des biens réels (dont l’immobilier).
Stiglitz avance que l’émergence d’éventuelles monnaies privées (créées par des entreprises non bancaires) est devenue caduque, car les banques commerciales privées sont les véritables opérateurs économiques. Ces dernières fixent la valeur des monnaies, en reléguant les banques centrales à un rôle accessoire. A mon intuition, Stiglitz n’a pas raison, car les institutions financières sont désormais financées et soutenues par les Etats qui les obligent à détenir leurs propres dettes publiques. La création monétaire des banques commerciales privées est donc presque nationalisée.
L’économiste Silvio Gesell (1862-1930) a inventé le système de "monnaie fondante ". Gesell postulait que la thésaurisation est néfaste pour l’économie. Selon lui, la seule manière d’injecter de l’argent dans l’économie est de forcer sa dépréciation naturelle.

mercredi 24 octobre 2012

Onze Vlaamse Heilige Godelieve: bruin van vel, en zwart van haar en wenkbrauwen.


In de jaren 50 boomde de voornaam Godelieve, wellicht één van meest vereerde Vlaamse Heiligen.
jef nijs tekent een zwartepenne
 Bij Vlaamse Heilige denk ik direct aan een blonde haartooi. Groot was mijn verwondering toen ik toevallig bij de (interessante!) historicus Georges Duby uittreksels vond van de Vita Godeliph  in opdracht van Radbod II bisschop van Noyon. Doornik geschreven in 1084: de mooie Godelieve was bruin van vel, en zwart van haar en wenkbrauwen. Zodat haar schoonmoeder haar zoon uitlachte omdat het meisje dat hij binnenbracht een vreemdelinge was en zwart op de koop toe: waren er hier al niet genoeg kraaien dat gij er een moest gaan halen ‘in allia patria’.
Hoe was het mogelijk dat zo iemand in het Vlaamse heiligenpantheon kon worden opgenomen? Als De Wever dat zal vernemen zal ze daar rap vanaf liggen!

Tot mijn grote verwondering is dat detail aan de bouwers van het Vlaams nationaliteitsgevoel niet ontgaan. In de Godelieveprocessie in Gistel paradeert een zwartepenne. En onze Vlaamse tekenaar Jef Nijs tekent haar  met zwart haar. De bruine huidskleur is wel niet in de verf gezet, maar dat detail gaan wij niet vallen.
Rond de vraag “waren er hier al niet genoeg kraaien” is zelfs een mooi verhaaltje geweven en Godelieve wordt dus voorgesteld met een zwerm kraaien rond haar hoofd. Vliegt de blauwvoet!
Er zijn natuurlijk een paar glasramen en andere ceramieken die dit onvlaamse detail weglaten zonder daarom direct op een blonde met blauwe ogen te vallen. Maar daar kunnen wij bij leven.
Wij hebben dus, moest het nodig zijn, in de heilige Godelieve een heilige voor de multiculturaliteit!

Triptiek provoost 16° eeuw
Heilige Godelieve

de godelieveprocessie in gistel: ravenzwart haar!

samedi 25 juin 2011

Limburg – Limbourg: het groot Dietslandproject van Willem Frederik van Oranje-Nassau

Wat hebben Nederlands en Belgisch Limburg (of West- en Oost- Limburg volgens het Limburgcharter gemeen met het vroegere hertogdom Limbourg aan de Vesder? Een paar dorpen maar: Kerkrade, Valkenburg en Teuven. En dan nog: Teuven en de Voer behoorde tot 1963 bij Luik. Waarom noemen die twee provincies dan Limburg? Omdat in 1814 de eerste koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden hoogstpersoonlijk de naam Limburg in de marge van de Grondwet schreef. Met grootse plannen in zijn achterhoofd.
Hertog van Limburg’: sinds 1288 een adelijk titeltje
Het hertogdom Limburg is opgeslorpt door Brabant sinds 1288. Sindsdien was ‘hertog van Limburg’ een adelijk titel tje dat via het Verdrag van Londen van 1839 als compensatie aan Willem van Nassau werd gegeven voor het verlies van franstalig Luxemburg aan België. Op het visitekaartje van de Nassaus stond al Limburg vermeld, maar het ging hier over een Duits graafschap : “Herzog von Nassau, Pfalzgraf bei Rhein, Graf zu Sayn, Königstein, Katzenelnbogen und Diez, Burggraf zu Hammerstein, Herr zu Mahlberg, Wiesbaden, Idstein, Merenberg, Limburg und Eppstein”. Willem bouwt rond dat titeltje een politiek project: zijn privéhertogdom Limburg van Roermond tot Luxemburg…
Volgens Conscience begint het verhaal in 1107 met Hendrik van Limburg.
« In 1114, de Duitschen tegen hunnen keizer opgestaen zynde, nam Godfried-met-den-Baerd deel in den oorlog tegen den keizer. Godfried was hertog van Lotheringen, of liever van Braband, mits die naem alsdan in gebruik kwam. Dit deed ook Hendrik van Limburg, welke eertyds naer het hertogdom gestaen had».
Lees eventjes de tekst met de franse vertaling in het achterhoofd. Dan geeft men er zich rekenschap van hoe Conscience in het Frans dacht: « En 1114, les Allemands s’étant soulevés contre leur empereur, Godfroid-le-barbu participa à la guerre contre l'empereur. Godfroid était duc de Lorraine, ou plutôt de Brabant, puisque ce nom venait en usage alors ». In het nederlands klinkt het bombastisch. In feite is het vertaald uit het frans. Moest Van Aelst dit te weten komen!
Maar gaan we verder met het verhaal van Conscience. Het scheelde geen haar of het hertogdom Limburg had nooit het licht gezien. De snode en ondankbare Hendrik blijft zich hertog van Limburg noemen ondanks de grootmoedigheid van zijn overwinnaar: « Maar Hendrik van Limburg kwam den oorlog aendoen aan Godfried. Deze neemt de vrouw van Hendrik met een groot getal ridders gevangen; zyn vyand alleen was het ontvlugt. Godfried gaf ter dier gelegenheid een bewys van grootmoedigheid: hy zond de vrouw van Hendrik naer haren man terug. Deze schoone daed van Godfried deed indruk op het gemoed van zynen vyand; Hendrik gaf zich ten onderen en een goede vrede werd, in 1107, gesloten. Niettemin, het schynt dat Hendrik zich hertog van Limburg bleef noemen, want het is omtrent dien tyd dat Limburg als een hertogdom begint gemeld te worden ».
Van het prille begin is de titel ‘Hertog van Limburg’ bedrieglijk toegeeigend. Maar loontje komt om zijn boontje. ‘Bedriegers zijn de HEER een gruwel’ (Spreuken 12:22). De rekening wordt gepresenteerd in 1283. Het huwelijk van Reinoud I van Gelre met Imgard van Limburg bleef kinderloos. Daardoor begon in 1283 de Limburgse Successieoorlog. Die vond zijn ontknoping in de Slag bij Woeringen in 1288, die werd gewonnen door hertog Jan I van Brabant. Deze palmde het hertogdom Limburg in. Het hertogdom Limburg verdwijnt en wordt een eretitel. Filips van Sint-Pols is de laatste hertog van Brabant die de titel draagt. Na zijn dood ging het hertogdom naar Filips de Goede, die hij in 1426 als erfgenaam had erkend. Het zou een beetje omslachtig maar niet onmogelijk zijn het spoor verder na te trekken tot de Nassaus. Die mannen koesteren hun titel(tjes) en zijn ook op internet met hun stambomen. Wie daaraan begint moet wel onderscheid maken met het Duitse graafschap Limburg.
Wat wij nu Limburg noemen was tot in 1789 het graafschap Loon (fr. Looz). Loon maakt deel uit van het prinsbisdom Luik sinds 1366
Maar als de Limburgen niets te maken hebben met Limbourg, wat waren ze dan wel? Wat wij nu Limburg noemen was het graafschap Loon dat van 1365 tot 1789 deel uitmaakte van het prinsbisdom Luik. In het frans spreekt men over ‘le pays de Looz’. Vandaag is Looza nog de naam van een fruitsapje.
Arnold, eerste graaf van Loon was de broer van bisschop Balderik van Luik. Arnold bepaalde in 1190 dat zijn graafschap naar de prinsbisschop moest gaan in geval van afwezigheid van mannelijke nakomelingen. Anderhalve eeuw later is dit het geval. In 1336 sterft graaf Lodewijk IV van Loon kinderloos. Zijn neef, Diederik van Heinsberg, eiste de titel op. De prinsbisschop fronste de wenkbrauwen bij deze dubieuze machtswissel, maar ging uiteindelijk akkoord. Maar toen ook Diederik kinderloos stierf en zijn neef Godefroid d’Alembrouck de titel opeiste, was de maat voor Luik vol en werd het graafschap in 1365 ingelijfd bij Luik, na een lange oorlog die de Limburgse Successieoorlog waard was.
De Luikse milities belegerden Stokkem waar Godefroid zich verschanst had. Hij gaf zich over na 30 dagen, tekende alles wat hem gevraagd werd… maar verkocht het jaar erop het graafschap dat niet meer van hem was aan Arnould d’Oreye, heer van Rummen (D.D. Boverie l’histoire de Liège p.90)!
Jean d’Arkel, die bischop werd in 1364 belegert het kasteel van Rummen in 1365. Arnould zet zelfs bombardes in: het eerste gebruik van buskruit in de streek. Uiteindelijk doet hij in ruil voor een jaarlijkse rente van 3000 gulden afstand van alle aanspraken op het graafschap.
Van 1365 tot in 1794 maakt Loon dus deel uit van het prinsbisdom.
Na de slag bij Fleurus werd het Prinsbisdom, het vroegere Loon inbegrepen, door Frankrijk geannexeerd. Loon kwam in het departement Nedermaas (Meuse-Infèrieure) met Maastricht als hoofdstad. Belgisch en Nederlands Limburg werden verenigd.
Willem I schreef hoogstpersoonlijk de naam Limburg in de marge van de Grondwet.
In 1814 gaat Napoleon in ballingschap op Elba. In Wenen kwam een aantal diplomaten bijeen voor het Congres van Wenen om Europa opnieuw te verdelen. Willem I kreeg door het Congres van Wenen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden toebedeeld, waarin Nederland en België verenigd werden. Daarnaast werd Willem I ook groothertog van Luxemburg : de familie was nogal wat pluimen verloren in Duitsland waar een hele serie vorsten, prinsen en hertogen terug een kroon moesten krijgen nadat Napoleon hun kaarten wat had dooreengeschud. Willem kreeg als compensatie het hertogdom Luxemburg. Vanaf 16 maart 1815 wordt Z.H. prins Willem Frederik van Oranje-Nassau aangesproken als Z.M. koning Willem, koning der Nederlanden, groothertog van Luxemburg, prins van Oranje-Nassau.
Bij de vorming van zijn koninkrijk was oorspronkelijk de naam Maastricht of Opper-Gelderland voorgesteld, maar Willem I. schreef hoogstpersoonlijk in de marge van de Grondwet dat hem die benaming niet aanstond en koos voor Limburg. Merkwaardig, omdat het middeleeuws hertogdom Limbourg aan de Vesder op een paar dorpen na niets te maken had met het Limburg van het nieuwe koninkrijk. Maar niemand ging daar verder op in, ook al omdat Willem nogal autoritair was en de tijdsgeest niet tot discussie uitnodigde.
Een klein detail van de geschiedenis: de man die Willem op de troon heeft gezet is een zekere
Leopold graaf van Limburg Stirum . Deze maakte deel uit van het Driemanschap dat op 17 november 1813 een Voorlopig Bewind vormde en de troon aanbood aan Willem. Maar dat heeft niets met de keuze van Willem voor Limburg te maken: Limburg Stirum verwijst naar het Duitse graafschap Limburg.
De provincie wordt dus Limburg gedoopt. Dat belet hen niet mee in verzet te gaan tegen Willem I. Het huidige nederlands Limburg sluit aan bij België. Het nieuwe België van 1830 stelde de naam Limburg niet in vraag, onder andere omdat het goed uitkwam: België maakte aanspraak op Limburg tot Roermond, en op een deel van Luxemburg.
In 1939 geeft Willem der Nederlanden zijn Limburgproject een nieuwe invulling. Hij aanvaardt een vredesverdrag met het opstandige België op voorwaarde dat hij het oostelijke deel van de "Belgische" provincies Limburg en Luxemburg terugkrijgt. Deze provincies hoorden sinds 1830 bij België, op de vestingen van Luxemburg-stad en Maastricht na. Formeel was Luxemburg echter nog steeds een groothertogdom binnen de Duitse Bond. In het Verdrag van Londen (1839) werd het Duitstalige deel van Luxemburg aan Willem teruggegeven, maar werd het Franstalige deel aan België afgestaan. Als compensatie voor dit verlies kreeg Willem de oude hertogelijke titel van Limburg terug, samen met Nederlands Limburg.
Treaty of London, 19 Apr 1839, art. 3: "there shall be assigned to HM the king of the Netherlands, Grand Duke of Luxemburg, a territorial indemnity in the Province of Limburg"; art. 4: "...HM shall possess, either to be held by him in his character of Grand Duke of Luxemburg, or for the purpose of being united to Holland, those territories" which represent the modern Dutch province of Limburg, less Maastricht”
Willem maakt er een potje van : zijn Limburgers krijgen de dubbele nationaliteit. Op 16 Augustus 1839 nam de Duitse Bond, op vraag van Willem I, Limburg (zonder de vestingsteden Maastricht en Venlo) op in de Duitse Bond waardoor de inwoners de dubbele nationaliteit kregen. Limburg moest zelfs een contigent troepen beschikbaar houden en in oorlogstijd de zijde van de Duitse Bond kiezen. Hoewel Maastricht dus niet tot het gebied van de Duitse Bond ging behoren, werd deze vestiging aangewezen als garnizoensplaats voor het Bondscontigent, waartoe een deel van het Nederlandse leger werd gebruikt.
Bij de Hollanders was een grote terughoudendheid tegenover het katholieke agrarische Limburg en velen waren bereid om de provincie helemaal aan de Duitse Bond over te doen.
In Limburg waren dan ook veel separatisten. Sommigen wilden aansluiting bij België. Anderen wilden een vereniging met Luxemburg. In 1848 werd een zekere Scherpenzeel-Heusch met 91% verkozen in het Frankfurter Parlement, afgedwongen door de revolutionaire beweging waar o.a. Karl Marx zijn sporen verdiende. Deze verkiezingen waren trouwens veel democratischer dan de Nederlandse verkiezingen. In die tijd waren in heel Nederland rond de 55.000 stemgerechtigden. In 1848 mocht ook de middenklasse meestemmen.
Wilhelmina de laatste adellijke hertogin van Limburg
Ook zijn zoon , Prins van Oranje-Nassau, was van 1849 tot zijn dood Koning der Nederlanden en Groothertog van Luxemburg, en van 1849 tot 1866 hertog van Limburg. Die titel verloor hij doodat in 1866 de Duitse Bond werd opgedoekt. Limburg en Luxemburg kwamen hierdoor buiten het Duitse staatbestel. De titel hertogdom had geen betekenis meer.Het provinciaal bestuur bleef de titel echter nog gebruiken tot 1906.
Na 1866 bleef de titel van hertog van Limburg als een persoonlijke, adellijke titel gehandhaafd door het Koninklijk Huis. De titel bleef ook in de preambule gehandhaafd tot 1948, toen Wilhelmina aftrad. Aangezien adellijke titels niet worden overgegeven in vrouwelijke lijn, is Wilhelmina de laatste adellijke hertogin van Limburg geweest.
Bij de vrede van Versailles wil België de annexatie van Luxemburg en Limburg
Ook België legt zich niet neer bij het verlies van Limburg. Tijdens de eerste wereldoorlog ontwikkelde de Belgische regering plannen waarin annexatie van Luxemburg, Eupen, Malmedy, St.Vith, Limburg en Zeeuws Vlaanderen, voorkwamen. Nederland zou eventueel met Duits grondgebied, zoals Oost Friesland, gecompenseerd kunnen worden. Ze riepen onder andere in dat de Maasovergangen in Nederlands Limburg invasieroutes waren voor het Duitse leger. Nederland was verontwaardigd: hadden zij niet talloze Belgische militairen en burgers opgevangen?
In Versailles was veel sympathie voor België dat zeer onder de oorlog had geleden. Velen beschouwden de neutrale mogendheid Nederland als pro-Duits. Maar deze Belgische annexatieplannen botste met Wilsons zelfbeschikkingsrecht der volkeren. De herziening van de scheidingsverdragen van 1839 bleef aanslepen tot 1925 toen een nieuw Schelderegiem en een overeenkomst over kanalen naar de Moerdijk en van Antwerpen naar het Ruhrgebied bereikt waren.
Waar is dat nu allemaal goed voor? Waarvoor moet men dat weten? Ik zou zeggen met Willem: 'Ge kunt nooit weten’. Waarom wilde Willem in 1814 Limburg als naam voor het land van Nedermaas? Het kwam hem in 1939 goed van pas! Mischien heeft morgen het Vlaanderen van De Wever genoeg van de Limburgers. Of omgekeerd: hebben van de Limburgers genoeg van het Vlaanderen van De Wever. En dan kan het practisch zijn een nieuwe naam voorhanden te hebben, en niet te moeten improviseren zoals Bossi met zijn Padanië. Het land van Loon lijkt mij een aanvaardbaar alternatief. Beter dan het land van Ooit. Tenzij men wat de Franse toer opgaat en spreekt over het land van Looz. Of Looza… Als Looza dan nog bestaat is een sponsor direct gevonden…

vendredi 11 septembre 2009

Ierland II: Famine museum, Titanic Troubles en authentieke Black Taxi Tours

De Ieren hebben de kunst om van ongelukken en rampen toeristische attracties te maken. Er zijn ontelbare Famine museums. Als ik morgen in Outremeuse met het voorstel op de proppen kom om een choleramuseum te openen word ik gek verklaard. In Ierland koesteren ze hun ongeluk.
In Belfast heb je de Titanic tour. Als in Zeebrugge de Herald of Free Entreprise kapseist, verandert de rederij Thowsend Thoresen haar naam in P&O. In Ierland roemen ze er zich op de Titanic te hebben gebouwd en in Derry kun je een Titanic Tour doen: een havenrondvaart met als hoogtepunt de werf waar deze schuit is gebouwd.
In 67 begon de zoveelste republikeinse opstand. Gedurende jaren lag alle openbare leven stil. Honderden huizen werden in brand gestoken en tientallen mensen gedood. De Ieren maken er een toeristische attractie van: je kunt in Belfast met de « black taxis » een Political Tour maken.
Deze black taxis waren oorspronkelijk “wilde” taxis die in elke wijk waren georganiseerd om het openbaar vervoer te vervangen: geen enkele bus reed nog wegens het bomgevaar. De taxichauffeurs waren ex politieke gevangenen van elke gemeenschap.
De huidige chauffeurs zijn natuurlijk in het beste geval de zonen van. Hoewel de meeste taximaatschappijen nog altijd de kerk in het midden houden: zo kregen wij voor onze Black Taxi Tour een republikein en een loyalist als chauffeur.
De “murals: fake or not fake?
De muurschilderingen (murals) die ze laten zien zijn ook al lang niet meer authentiek. Ze zijn een toeristenval geworden (op de kaart van Belfastaan te klikken): ze worden geleidelijk en planmatig overschilderd om een meer aantrekkelijk beeld van de streek te geven aan toeristen en investeerders.
In Newtownards was een mural met paramilitairen die met geweren zwaaien. Hun slogan, « Het is beter rechtop te sterven dan op je knieën te leven" hadden ze - zonder copyright – gejat van de Passionnaria Dolores Ibarruri. Vandaag is die overschilderd door het beeld van een beroemde stadsgenoot, soldaat Blair Mayne, groot rugbyspeler en SAS man in de woestijnoorlog tegen Rommel. De man had al een standbeeld in de stad…
Maar Belfast spant op dit gebied de kroon. Op de Newtownards Road, bij het binnenrijden van Belfast, passeren wij langs wat de locals spottend "Freedom corner" noemen, en waar veel toeristen op flippen. Een van de ruwste mural-sites van de stad. En wij hebben het hardste nog niet gezien: in 2007 waren vijf van die murals al overschilderd. Zo kan men op de kruising van Dee Street met Newtownards Road een prachtige mural zien van Captain Smith op de zinkende Titanic. Die mural is nu al als postkaart te verkrijgen.
Het overschilderen van die militaria maakt deel uit van een strategisch plan. Verhelderend daarvoor is het getuigenis van Hoey, ex-paramilitair van de UVF (Ulster Volunteer Force), vandaag als terroristische organisatie beschouwd door het Verenigd Koninkrijk. Hoey is geëngageerd door de 'Re-Imaging Communities Programme’ om manieren te vinden om murals en emblemen te vervangen door meer positieve beelden. De ‘dogs of war’, mannen in camouflage uniform en kalashnikovs, worden overschilderd door meer positieve 'zonen van Ulster', sportmannen, schrijvers en muzikanten. Paul Hoey legt uit: "als een investeerder naar Oost Belfast komt kan hij worden afgeschrikt door die militaristische murals." Hoey legt ook uit dat "die murals niet verloren zijn, we hebben ze gefotografeerd. Je kunt er een copies van kopen in de Union Jack shop hier vlakbij."
Dat overschilderen gebeurt heel professioneel. Die paramilitaire groepen contracteren een firma die de stelling komt zetten, verzekering tegen arbeidsongevallen incluis. Minder begaafde schilders doen het grof werk en alles wordt afgewerkt door artiest die soms met een projector om het beeld op de muur te scannen. Het overschilderen van een mural komt op £4,000.
In Belfast zagen wij, op een pleintje langs het protestantse Shankill Road, de voetballegende George Best. En onder het portret van Willem van Orange (Tavanagh Street) zit de mural 'The Grim Reaper' geschilderd in 1998. De wijk die wij bezochten wordt gecontroleerd door de Ulster Defence Association (UDA) met zijn gewapende arm de Ulster Freedom Fighters (UFF). In maart 2008 aanvaardt de UDA haar grimmige magere Hein te overschilderen.
Ook zij worden over de brug geholpen door geld van de Arts Council' 'Re-imaging programme'
Een andere ‘Grim Reaper’ van de Uda in Tullycarnet is overschilderd met een Noords Ierse oorlogsheld James Magennis, die het Victoria Cross kreeg. En, neusje van de zalm, een katholiek nog wel.
Wij zijn wel benieuwd over let lot van de « Mona Lisa » in Shankill: iedereen op het plein heeft de indruk in het vizier te zitten van die gemaskerde sluipschutter. Met een dergelijke bijnaam is er weinig kans dat hij in de volgende jaren overschilderd wordt: aan een Mona Lisa raakt men niet. En de toerist heeft graag wat koude rillingen…
Een 'Re-imaging’ programma
Deze initiatieven zijn geprogrammeerd. De 'Re-Imaging Communities Programme' engageert mensen van de wijken en ex-paramilitairen om manieren te vinden om die verscheurende murals te vervangen door meer positieve beelden.
Aan republikeinse (of katholieke) kant is het al niet veel beter. In Derry wordt de achterkant van de Free Derry Corner bijna iedere week overschilderd. De kop van Patrick Doherty die stierf aan Aids en 1990 heeft erop gestaan. In 1991 stond er een oproep voor de Internationale vrouwendag. Maar een mural ‘Beyond the Joke’ die huiselijk geweld tegen vrouwen aanklaagde werd door de lokale « gemeenschap » overtagd. In 2007 schoot ook een Gay Pride mural – waarbij ook de voorkant in het roze was geschilderd – in het verkeerde keelgat.
In Derry hebben drie gehaaide artiesten Kevin Hasson, Tom et William Kelly het laken naar zich toe gehaald. Zij noemen zich de Bogside Artists. Ze beweren dat ze onafhankelijk zijn van politieke en paramilitaire groepen. Maar hun financies komen grotendeels van Europese vredesfondsen, wat dat ook mag zijn. Ze hebben in de Bogside elf murals gemaakt, die zij The People’s Gallery noemen. Maar ze zijn die in feite beginnen schilderen in 1994, op een ogenblik waar de « Troubles » over het hoogtepunt waren, een half jaar na een zware fout van de IRA. Op 20 maart 1993 had de IRA een bom gelegd in Warrington, op de vooravond van Moedertjesdag, terwijl tientallen kinderen op straat waren om een cadeau te halen voor hun moeder. Twee kinderen werden gedood. Daardoor verloor het Republikeins Leger zijn statut van verdediger van de verdrukten, dat zij verworven had na Bloody Sunday, en wordt voor de publieke opinie een bende terroristen. Onder druk van President Clinton, verklaart het IRA een eerste wapenstilstand in 1994. Op 10 april 1998 wordt het Akkoord van Belfast getekend. Zijn er ook Clintondollars naar de Bogside Artists gegaan? In alle geval sliepen wij in Enniskellen in een jeugdherberg die door Clinton is betaald. Die ‘onafhankelijkheid’ van die Bogside Artists moet dus met een korreltje zout genomen worden. Hun glans moet het IRA doen verbleken. Dit gezegd zijnde, hun foto-murals geven wel goed weer wat de Bogside te verduren kreeg; Een van de sterkste beelden is Motorman: een Britse soldaat die een voordeur inslaat met een voorhamer tijdens de operatie Motorman.
Niet alleen de murals zijn fake. Zelfs de meest huizen zijn nieuw gebouwd. De historische
Divis flats in de Falls Road in Belfast, waar de gewonden van Bloody Sunday werden binnengedragen –en vanwaar de Britse Motorman-soldaten werden bekogeld met alles wat niet te heet of te zwaar was - zijn afgebroken in 1992. Er woonden 2400 mensen in 850 flats, waarvan 98 percent mensen die zich zelf Katholiek verklaarden. En het is niet dat zij bouwvallig waren: die flats waren ingehuldigd in 1972! Ze waren de top van eigentijdse architectuur: gedaan met de HLM’s en wat men de konijnenkoten van Le Corbusier noemde. Een gevarieerd grondplan, met terrassen van waarop men, zoals in de steegjes van een stad, toegang had tot de appartementen. Men had het over “walks,” “paths” en “rows.”Maar die moderne wirwar van straatjes waren ook ideaal voor de patrouilles van Britse soldaten. En de inwoners hadden de indruk dat elke voordeur zichtbaar was voor de Britse post in de Divis-toren. Alleen die toren is trouwens blijven staan, maar is sinds 2005 « gedemilitariseerd ».
Nu doet mij dat ook wel denken aan de Droixhebuildings in Luik, waarvan de helft ook binnenkort tegen de vlakte gaat.
De nieuwe huizen in Falls Road, en trouwens overal in Ierland, zijn gebouwd op het honderdjarige stramien van de werkmanshuisjes in een rij. Eigenaardig. Tenzij dat soort urbanisme aan de inwoners een gevoel heeft van samenhorigheid en bescherming.
De MUUR van de vrede
Het enige wat niet fake is is de MUUR, hoewel ook die opgesmukt is met pacifistische ceramiek en met witte muren waarop de toeristen hun hart kunnen luchten. De Black taxidrivers houden stiften ter beschikking van de toeristen. Beeld je echter niet in dat je een boodschap schrijft voor het nageslacht: ook die muurkranten worden om de zoveel weken overschilderd.
Men kan zich natuurlijk afvragen: waarom zouden die murals niet mogen worden weggemoffeld? Werd het niet tijd het blad van die verschrikkelijke periode om te slaan?
Het antwoord is die muur zelf. Geen enkele politieke kracht in Ierland of Groot Brittannië vraagt vandaag dat die zou worden afgebroken.
En net zoals in Cisjordanië zijn de koertjes van de huizen achter de muur afgeschermd met traliewerk, tegen eventuele projectielen.
fugitive art
Ik ga mij niet dik maken over het gebrek aan respect voor de artiesten die deze eerste murals hebben geschilderd. Hoewel ik vind dat die murals grote kunst zijn, in die mate dat die beelden wortelen in het onderbewustzijn van die verschillende gemeenschappen. Maar ook grote kunst kan heel vluchtig zijn. Veel wereldberoemde kunstenaars maken ‘fugitive art’; denken wij maar aan de grote emballeur Christo. Net zoals Christo leven die oorspronkelijke murals verder via Internet en via posters enz. En tenslotte worden een aantal van die artiesten vandaag goed betaald om die te overschilderen met andere onschuldiger thema’s.
En trouwens kunnen wij vragen stellen over de originaliteit van de meeste van onze grote meesterwerken. In Brugge liep in 2004 een tentoonstelling 'fake or not fake'. De grote Belgische restaurateur Jef Van der Veken « restaureerde » de Maagd met kanunnik Van der Paele van Jan van Eyck. Hij krabde 85% van de oorspronkelijke verf eraf. De Jan Van Eyck die wij zien is dus statistisch een Van der Veken. Dezelfde Van der Veken schilderde onder de tweede wereldoorlog een kopie van het Lam Gods, waarvan het origineel in 1934 gestolen was. Hij heeft trouwens een aantal valse Vlaamse Primitieven geschilderd op oude eiken planken…
Het Iers rampentoerisme presenteert, zoals elk toerisme, een mengeling van droom en werkelijkheid, van wat geweest is en van wat de mensen zich daarover inbeelden. Carcassonne is geen middeleeuws slot; architect Viollet Le Duc heeft het stadje heropgebouwd zoals hij vond dat ze het hadden moeten doen, zeshonderd jaar terug. Veel grote kathedralen zijn fameus verbouwd in het einde van de 19de eeuw, met de opkomst van het toerisme. En dan heb ik het nog niet over historische tuinen: wat schiet daar nog over van het oorspronkelijk concept?
De vraag « fake or not fake » is dus niet ter zake. De Political Tours doen ongetwijfeld nadenken over wat in Ierland gebeurd is en wat bij ons zou kunnen gebeuren, en zijn dus zinvol. Zelfs wanneer men morgen de « Mona Lisa » van de sluipschutters in Shankill overschildert, zal men nog geconfronteerd worden met die metershoge muur tussen die twee wijken. Men probeert die mooier te maken, met een aantal ceramieken die over vrede gaan. Maar tot op vandaag vraagt geen enkele politieke kracht in Ierland die vredesmuur af te breken. En vandaag heeft 95% van de mensen, aan de twee kanten, geen enkel contact met mensen van de andere gemeenschap.
Still Under siege
In Londonderry staat geen muur. Of liever: je ziet hem niet want je loopt erop. Op de stadswallen die in 1613 de eerste uitvalsbasis voor de kolonisering van Ierland moesten beschermen tegen de woede van de originals. Op het stadwapen prijkt een skelet, geen aandenken aan de Grote Hongersnood van de 19° eeuw, maar als aandenken aan de vijftien weken lange belegering in 1688 door de Ierse inboorlingen. Van boven op die wallen kijk je neer op de Bogside; een moeras waar de hongerige Ieren zich in de periode van de grote hongersnood kwamen vestigen, omdat het dichtbij een stad, zelfs in een moeras, nog beter was als op het platteland.
Op die stadwal, pal boven de Bogside, staat het voetstuk van de kolom waar tot in 1973 een standbeeld stond van de Reverend George Walker. Deze Eerwaarde was de man die Londonderry verdedigde tegen de Ieren in 1688. Op die stadwallen passeren nog altijd de Oranjemarsen. Als je daar staat versta je zo waarom de IRA dit standbeeld opblies. een lichtpunt wel: de kolom en het standbeeld zijn nooit terug opgebouwd.
Een beetje verder kijk je vanop de stadwal neer op de « West Bank Loyalist still under siege » met hun blauw wit rood Union Jack geschilderde trottoirs. Je kunt natuurlijk relativiseren: zijn die beschilderde trottoirs wat anders als de geelzwarte verkeerspalen in Vlaanderen? Maar dat is geen geruststelling.
En hiermee komen wij op het grootste probleem met het overschilderen van de murals. Het is zoals met de Spaanse griep: eenmaal het lichaam een weerstad heeft opgebouwd is er geen probleem meer. Maar zijn de problemen die aan de basis lagen van de « troubles » dan wel opgelost? Indien niet, zou het dan niet beter zijn de confrontatie te laten met die Kalashnikovs en andere ‘Grim Reapers’?
Oppervlakkig gezien is er vooruitgang. De huizen in de katholieke wijken zijn zelfs nieuwer en beter als die in de protestantse wijken. De Sinn Fein zit mee in de regering. Tony Blair heeft zelfs voor de tweede maal een Commissie http://www.bloody-sunday-inquiry.org.uk/ die zoekt naar de verantwoordelijken van de Bloody Sunday, in 1972. Op de website is de recentste boodschap: 12 augustus 2005: « Final Report. The report is currently in preparation. It has been necessary for the Tribunal to look at a very large quantity of material so that it is not possible at this stage to give any firm estimate of when the report is likely to be finished ». In 2008 verklaarde de Engelse Secretary of State dat de Commissie nog altijd £500,000 per maand kostte hoewel de laatste zittingen dateren 2005. Men verwacht nu het definitief rapport tegen begin 2010.
Sommige murals zijn overschilderd, maar de Ulstervlaggen, Union Jacks en vlaggen van paramilitaire organisaties zijn overal aanwezig in het landschap. De eerste dag zie je die vlaggen als decoratie. Als je Belfast bezocht hebt weet je dat dit niet onschuldig is.
Een eerste reactie is: 'Fuck Religion'? Protestanten? Katholieken? Vechten voor een godsdienst, in de XXI eeuw? De huizenrijen aan de twee kanten in Belfast zien er hetzelfde uit. Arme dompelaars tegen andere arme dompelaars. Heeft dat nog zin?
De Ieren zouden hun buik vol hebben van die steriele gevechten. Op het eerste zicht is dit een positieve basis om op verder te bouwen. Maar een beetje inzicht in de geschiedenis leert ons dat dit onvoldoende is.
In mijn volgende bijdrage zal ik proberen wat dieper in te gaan op de bronnen van dit conflict. Maar daarvoor moeten wij de teletijdsmachine in, vierhonderd jaar terug. Ik haal er zelfs de grote Spaanse Armada bij. Misschien een beetje vergezocht. Hoewel: een van de vlaggeschepen van die vloot, La Girona is gezonken aan de Giants Causeway, op een paar knopen van Lieve en Ross.

vendredi 21 août 2009

Noord Ierland (eerste deel)

Ik geniet van een reis drie keer: de voorbereiding; de reis zelf en een derde keer nagenieten met het schrijven van een reisverhaal.
Maar dit reisverslagje is ook een klein monumentje voor het verliefde koppel dat wij in Ierland hebben zien trouwen. En een knipoogje naar de gelukkige ouders Leo en Marie Jeanne. Hun geluk en inzet voor die trouw was zo aanstekelijk dat wij niets anders konden dan de oversteek maken.
In juli 2009 is Lieve Hertogen in het huwelijksbootje gestapt met haar Ierse zeeman Ross, in Grey Abbey, een dertigtal kilometer onder Belfast. Sinds Ryanair kan het Kanaal en de Ierse Zee voor de nonkels en tantes Hertogen geen excuus zijn om dit trouwfeest te missen. En tenslotte wil iedereen ook eens met eigen ogen zien in welke omgeving het jonge paar - en hun kroost - zullen leven.
Het feest zelf is een ideale kennismaking met de familie en vrienden van het jonge paar. Daarom niet direct allemaal « locals »: Lieve en Ross zijn alle twee wereldburgers. Een vriend is voor het feest overgevlogen uit Australië. En een paar andere paraderen in authentieke kilts. Wie denkt dat onder een kilt onvoorwaardelijk een Schot schuilt, moet opletten met dergelijke veralgemeningen: een van die mannen in kilt is van Noord Ierland. Hij is een van de vele afstammelingen van de Schotten die naar Ierland zijn overgestoken.
Vanuit Donaghedee, waar Ross en Lieve een huisje hebben gekocht, liep al in 1616 een ferry naar Portpatrick in Schotland. De uurrooster was niet vast: er moeten minimum een dertigtal passagiers zijn. Maar die overzet was toch goed voor een zevental oversteken per week. Lieve heeft een jaar in Schotland gewerkt, en heeft daar haar Ross ontmoet. Hun liefde stond dus als het ware in de sterren geschreven.
Het heeft trouwens geen haar gescholen of men kon te voet van Ierland naar Schotland. 60 miljoen jaar geleden vormde een vulkaanuitbarsting de Giant Causeway, vandaag werelderfgoed. De basaltstroom stolde in grote zeshoekige vormen. Er is niet veel verbeelding nodig om daarin een dam te zien waarlangs reuzen van Ierland naar Schotland trokken. Of Ross naar zijn Lieveke…
Donaghedee heeft, naast die ferry, trouwens nog andere historische troeven. Grace Neill's is « the oldest pub in Ireland », met certificaat van de Guiness. Niet de Guiness van het bier, maar het Boek van de records. Het opende in 1611 onder de naam 'King's Arms'. Achter de historische pub schuilt een van de beste restaurants van de streek. Dat kan de familie Hertogen bevestigen, want daar had Leo afspraak gegeven de dag na het feest.
Het feest is georganiseerd in een tent in Greyabbey. En ook het officiële huwelijk zelf. 95% van de Noord Ieren trouwt in ‘zijn’ kerk en deze huwelijken zijn rechtsgeldig. Het is dan ook nog maar eerlijk dat voor de vijf procent die alleen voor de wet trouwt de schepen zelf ter plaatse komt. Ook voor onze ambtenaar van de burgerlijke stand een niet alledaagse gebeurtenis, en de gelegenheid om in een pakkende tekst haar ideeën over wat het huwelijk kan zijn in de XXI eeuw te ontwikkelen.
Dit gezegd zijnde, het zou me niet verwonderen was het trouwboek een basis voor de nog altijd aanwezige discriminatie tussen wat men protestanten en katholieken noemt. Op het continent gebruikte een interim-bureau de melding BBB – Blanc Bleu Belge – om werknemers van vreemde afkomst te selecteren. In Noord Ierland weet men al genoeg als de man of vrouw in het protestantse Shankill Road, of in het katholieke Falls Road of de Bogside woont. Maar waar het adres niet volstaat, geeft het trouwboek onmiddellijk uitsluitsel.
Maar laten wij niet met het moeilijkste beginnen. De kortste weg om de Noord Ierse realiteit te benaderen loopt langs de maag.
Pubfood, Irish Stew en speenvarken
Wij krijgen de avond van aankomst een goede inleiding op het Ierse pubfood in de Wildfowler, een van de enige pubs in Grey Abbey. Op een voorwaarde: dat wij voor 21 uur zouden bestellen. Dat was op de valreep: na ons bezoek aan Dublin verloren wij zeker een uur in de opstoppingen bij het buitenrijden van de stad.
Een pub waar op een subtiele manier het publiek geselecteerd wordt: tatoos en piercings niet gewenst. Maar voor de rest interessant, en daarom ook aanbevolen in de Trotter. Pubfood is geen junkfood!
Een must in die pubfood is de Irish Stew. Een soort Vlaamse karbonaden, maar met lamsvlees en vooral een grote proportie aardappelen en wortels.
De volgende dag klimmen wij op het feest culinair een trapje hoger. Op het menu stond speenvarken en lam, uren gebakken in een mobiele oven.
Maar daar stopt de Ierse keuken natuurlijk niet. Onze B&B zweert bij Angusrund. Onze saucissen bij zijn Ierse breakfast zijn als het ware direct uit een dikbil gesneden: zijn zoon heeft een boerderij van producent tot verbruiker. Zijn gegrilde tomaatjes komen direct uit zijn serre. Op onze laatste morgen serveerde hij ons zijn eerste zoete tomaten. Ik had bijna gedacht dat hij ze gesuikerd had. Voor wat hoort wat: ik vertel hem van het bestaan van de tomaat « cœur de bœuf », een grote tomaat in de vorm van een ossehart. Ideale begeleiding bij een Angusbiefstuk.
Noorse kreeft uit Portavogie
Het haventje van Portavogie, een paar kilometer van bij Lieve, is gekend voor zijn kreeft. En dit is geen fake voor toeristen. Het is een haven waar nog gewerkt wordt, met roestige schepen: alles behalve een ansichtkaartje. Sommigen betreuren het beton dat het pittoreske haventje heeft vervangen, maar dat is de prijs die vandaag voor de vis moet betaald worden. Maar wij kunnen niet uit eigen ervaring vertellen hoe de kreeften smaken: wij kwamen er toe op dinsdag, wanneer het enige restaurant van het dorp gesloten is. En om volledig te zijn: het gaat hier over Noorse kreeft. Maar daar kan een wereldburger toch niet moeilijk over doen.
Ik had gelezen dat in het Lough Neagh, boven Belfast, iedere nacht tonnen paling worden bovengehaald. Ze vissen er met lijnen van een kilometer, met honderden haken. Ik heb in een vorig leven, in mijn studententijd, als jobstudent honderden manden paling in mootje gesneden, in de Siphon (zie foto hierlangs), een van de bekendste palingrestaurants van de Oostkust. Ik heb dan ook een van mijn tafelgenoten de pieren uit zijn neus gehaald om te weten waar die paling kon verorberd worden. Het antwoord is: in Damme misschien, maar niet in Ierland. Ze lusten daar geen paling; de vangst wordt praktisch integraal uitgevoerd! Ze weten niet wat lekker is. Bij mij moeten ze niet meer komen klagen over hun Great Famine! Wie voor paling zijn neus ophaalt moet maar patatten eten!
Ierse maneschijn
Voor wat de drank betreft heb ik van het trouwfeest geprofiteerd om een marktonderzoek te doen naar de toekomst van de cider. Deze met appelen gebrouwen drank was rond 1900 de basisdrank in heel het Verenigd koninkrijk en in grote delen van Frankrijk. En jawel, net als in Bretagne of Normandië verliest de cider veld. De pils vloog de frigo uit. Maar de cider bleef staan. Zelfs de Guiness laat het afweten tegen de wereldwijde opmars van de pils.
A propos, de Guiness laat bij elke slok een kring na op het glas. De Ier laat een achttal kringen na. De Amerikaan een 25. Ik stel vast dat ik op dat vlak dicht bij de Ier sta.
Wij zijn tenslotte in het vaderland van de whiskey, en vader Phil had dan ook voor een fles Bushmills gezorgd. De oudste whiskeystokerij van de wereld: 1608. Op een boogscheut van Donaghedee. Voor ons een aanmoediging om een paar dagen later die stokerij te gaan bezoeken. Ze maken niet veel tamtam van de manier waarop hun alcohol wordt verkregen. In De smaak komt eigenlijk van het vat: de Ieren kopen oude sherry, porto en bourbonvaten op, waarin de whiskey tot vijftien jaar rijpt. Na drie keer wordt het vat verkocht aan de tuincentra. Maar ondertussen is dat vat honderd jaar oud: drie maal vijftien jaar in de whiskey, en evenveel tijd in de sherry. Zou je daarin durven geraniums planten?
In Schotland echter wordt de malt gedroogd boven turfvuur, wat een typische turfsmaak geeft aan hun whisky (zonder e). Vader Phill belooft ons bij de eerste gelegenheid een fles van de enige Ierse turfwhiskey te laten geworden.
De Ierse whiskey wordt drie keer gedistilleerd. Er hangt zoveel alcohol in de lucht dat zelfs GSM’s bij het bezoek verboden zijn. Die driedubbele distillatie levert 57° alcoholgehalte op: teveel om op flessen te trekken. Het brouwsel wordt aangelengd met water bij het bottelen. Wie een Bushmills onversneden wil proeven kan proberen een Bushmills 1990 Bourbon cask 57.5% vast te krijgen. Het toevoegen van water zou eventueel een turfsmaak zou kunnen verklaren aangezien overal in Ierland het leidingwater er een zware (bos)grondsmaak heeft. Maar ja, het water is er (voorlopig) nog gratis. Dat zou er nog maar aan mankeren, met al het water dat uit de lucht valt. De Wc’s hebben dan ook een « chasse » van 15 liter.
Maar de Ierse Republiek wil in het kader van zijn crisisplan het water doen betalen. Ze hebben wel een probleem: er zijn niet eens watermeters…
Vader Leo en Phil verhogen de waakzaamheid als het gerucht loopt dat er illegale whiskey op tafel zou komen. De aantrekkingskracht van de Poteen of Poitin (letterlijk 'kleine pot', voor de distilleerkolf waarin het spul wordt gebrouwen) is waarschijnlijk, net zoals bij drugs, voor een deel te wijten aan het plezier van het verbodene. Die illegale whiskey wordt gebrouwen bij maneschijn in afgelegen streken zoals de Connemarra.
Net als bij de drugs is het onwettelijke omgekeerd evenredig met kwaliteit. De Ierse maneschijners (moonshiners) gebruiken zowat om het even wat kan gisten als basismateriaal. Wie zegt dat de poteen op basis van aardappelen is heeft de prijs van de aardappel nooit van dichtbij bekeken. De Ieren zijn weliswaar aardappeleters, sinds Sir Walter Raleigh ermee begon in Cork in 1589, om er zijn Ierse lijfeigenen nog goedkoper mee te voeden als dat al het geval was. De patat was werkelijk de basis van de voeding geworden, zodat een aardappelplaag in 1845-1849 een ware hongersnood meebracht in Ierland, met 1 miljoen doden en 1 miljoen uitwijkelingen.
Maar daarom gaat men er nog geen poteen mee stoken. Behalve misschien met de schillen. Patatten bevatten maar 15-18% gistbaar materiaal terwijl graan tot 50-67% kan gaan. 10 kg patatten zijn dus goed voor 1 liter alcohol terwijl uit 10 kg graan 4 liters kan gepuurd worden. Maar onafgezien daarvan wordt veel van die poteen waarschijnlijk gebrouwen op basis van alle soorten plantenafval zoals melasse enzovoort.
Turf en Bog
Lieve en Ross wonen dus in Donaghedee, aan de voet van een schiereiland. Zij zitten op honderd meter van de kust van de Ierse Zee, waar Leo als een dief in de nacht stenen gaat pikken om de tuin van zijn dochter aan te leggen.
Hij zal, zoals elke Ier, ook moeten leren turfgraven. Misschien kunnen ze hem in de Peel nog uitleggen hoe dat gaat. Anders neemt hij maar een boek van Theun de Vries. Ross en Lieve hebben centrale verwarming, maar in hun living branden zij, bij de grote gelegenheden, turf in hun open haard. Dat is volgens Leo moeilijk aan te steken, en het stinkt. Maar dit illustreert dan maar weer de grote wet van de psychologie: wat de mensen associëren met gezelligheid krijgt ook een positieve betekenis. Eigen scheten rieken niet. Dat moeilijk aankrijgen van turf heeft alles te maken met de capaciteit van dit materiaal om water op te nemen: negen maal zijn eigen gewicht.
Wij zijn trouwens op de terugweg naar Dublin in de Bog of Allen gepasseerd: een van de grootste nog bestaande turfgebieden. Die worden nu massaal afgegraven door elektriciteitsmaatschappijen. De techniek is dezelfde als in de Peel, alleen gebeurt dit nu met enorme graafmachines. Dit levert een desolaat bruin landschap op, doorsneden met kanalen die een deel van het water laten afvloeien in een schuimend bruin sopje. Wie in de Hoge Venen heeft gewandeld weet waar ik over spreek.
Na een tijd scheppen machines dit op een soort droogbedden. Maar ondanks dat zit er nog 60% vocht in de turf die wordt afgevoerd naar de elektriciteitscentrales, waar die verder wordt gedroogd met de restwarmte van de centrales.
Sommige verenigingen ijveren voor het behoud van die bogs. Zij worden trouwens massaal gesponsord door de Nederlanders, die zich misschien op die manier een goed geweten willen kopen omdat zij in Holland zelf zowat alle turf hebben afgegraven.
Maar die groene jongens jagen de Ieren ook tegen zich in het harnas doordat ze geen onderscheid maken tussen die centrales en de Ier die een eeuwenoud recht heeft om zijn turf te gaan steken. Op gezette tijden trekt heel de familie naar het bog om zijn turf op te doen. Dat moet zowat te vergelijken zijn met de Italianen die hun tomaten op flessen trekken, ambiance incluis.
Strangford Lough en Kearney
Lieve en Ross hebben voor het feest in Grey Abbey een aantal cottages afgehuurd, ingericht in een vroegere boerderij. Daar komt trouwens de tent te staan.
Wij zitten een paar honderd meter verder, in de B&B Trasnaghhouse, met een prachtig zicht op het Strangford Lough. Deze baai is ooit uitgeslepen door een gletsjer. Nu groeien er palmbomen.
Dat Lough geeft uit op de zee via een nauwe geul: de Narrows. De getijdenstroming van de tonnen water die bij eb en vloed de Lough in- en uitstromen is er zo sterk dat er in 2007 Portaferry het eerste commerciële getijdencentrale kon gebouwd worden. In het midden van de Narrows staat een soort modernistische aanlegsteiger waarvan wij ons afvroegen waar dat voor diende. Onder die steiger zit een turbine die stroom genoeg levert om 1.000 huizen van stroom te voorzien, met een veel kleinere impact op het milieu als getijdencentrales zoals die op de Rance in Bretagne waar een dam het water naar de turbine leidt.
Vroeger stonden langsheen het Ardsschiereiland 82 windmolens, waardoor het de naam “Klein Holland” kreeg. Helemaal op de punt, bij Portaferry, staat trouwens nog de romp van een van die molens. Wie een frisse neus wil ophalen moet absoluut naar boven klimmen. Hij krijgt er nog een prachtig zicht op het Lough én de Ierse Zee als premie bij.
Wat mij verwonderd is dat die elektriciteitsbarons hier nog geen windmolens neergeplant hebben. Maar dat komt waarschijnlijk nog wel!
De abdij Grey Abbey
Greyabbey is en charmant eenstraatdorpje, met een tiental antiquairs en een pittoreske pub. Maar van de abdij Grey Abbey zelf blijft alleen nog een ruïne over, en je zoekt in het dorp met dezelfde naam vergeefs naar een wegwijzer. Eigenlijk geen toeval: Ierland is een kolonie, waar de veroveraar alle sporen van de vroegere beschaving heeft uitgewist.
Cromwell heeft er met zijn ironheads alle Ierse kastelen en abdijen afgebrand, en wat hij eventueel had laten staan is door de Ieren zelf in brand gestoken. De tactiek van de verbrande aarde is geen monopolie van de Russen!
Markiezin Londonderry en Mount Stewart
Grey Abbey is zoals vele andere domeinen door de Engelse koning cadeau gedaan aan een Engelse Lord. De Stewart familie kocht het domein in 1744. In 1789 verkregen de Stewarts de titel Baron Londonderry, in 1795' Viscount Londonderry', in 1796 Earl of Londonderry en tenslotte in 1816 Markies. Maar titels zijn niet alles: de derde Markies Charles huwde in een tweede huwelijk Lady Frances Anne Vane-Tempest, een van de rijkste erfgenamen van haar tijd. Deze bouwde het kasteel zoals wij het nu kennen. De vierde markies huwde de weduwe van Viscount Powerscourt en ging daar wonen. Een van de mooiste tuinen van Ierland, vlak bij Dublin. Wij zijn er spijtig genoeg niet geraakt: wij zijn te lang in Ulster blijven plakken. Mount Stewart blijft er wat verlaten bij liggen tot de vrouw van de 7de Markies besluit haar tijd te vullen met er een prachtige tuin aan te leggen. Zij werd daarbij bijgestaan door Gertrude Jekyll, die meer dan 400 tuinen aanlegde in de Engelse cottagestijl. En door een twintigtal oorlogsinvaliden. Wij schrijven 1918.
Lady Londonderry had een « striking sense of humour ». Een juweeltje is de Mairi Garden, opgedragen aan haar dochter Mairi.
Mary, Mary, quite contrary,
How does your garden grow?
With silver bells, and cockle shells,
And pretty maids all in a row.
Dit kinderrijmpje
staat in schelpen in de rand van een fonteintje, bekroond door een prachtig kindje. Daarrond, silver bells (campanulas) en Pretty Maids (saxifraga). En het geheel groeit « quite contrary » in contrast met de formele tuinen erlangs. Een aantal planten van de Italian garden zijn in Gent gekocht in 1923.
Die « striking sense of humour » heeft wel een dubbele bodem. De hagen van de Shamrock Garden zijn bekroond met prachtige en originele topiary, met als hoogtepunt een 4.5 meter hoge harp. Maar het centrum van de tuin is de rode hand van Ulster. Wat kun je anders verwachten van een markies die de titel Londonderry voert? Een heel programma: Derry is de eerste koloniale inplanting in Ierland geweest, en noemde sindsdien Londonderry. Vandaag nog is die naam gebruiken op eieren lopen. Derry of Londonderry of London-Derry. Vanwege dat streepje spreken sommigen van stroke-city. Maar stroke betekent ook slag of stoot. Over die rode hand in de Ulstervlag wordt een sprookje verteld. Er was een wedstrijd om te weten wie koning zou worden van Ierland. De eerste die met zijn hand de grond raakte over de streep zou koning worden. Een van de kandidaten kapte zij n eigen hand af en gooide die over de streep. Maar ik kan mij moeilijk van de indruk ontdoen dat de kolonialisten als intimidatie de deurstijlen van de onafhankelijkheidsstrijders merkten met die rode hand.
Waar zit die humor dan, hoor ik je vragen, en die dubbele bodem? Het Dodo Terrace staat vol met dierenbeelden zoals de -uitgestorven – dodo, dino’s, krokodillen, eenhoorns, honen. Het pronkstuk is de Ark van Noë. Zogezegd familievrienden die van de Lady een bijnaam kregen. In feite gaat het om de Ark Club, het bastion van het Unionisme. De Markies verzette zich als een duivel in een wijwatervat tegen de Home Rule, en vond in Winston Churchill een gehaaid medestander.
Het familiekerkhof, Tir Nan Og, maakt ook deel uit van het park. Edith, Lady Londonderry, stierf in 1959, na in 1955 de tuinen aan de National Trust te hebben gegeven, waardoor zij gerust voor eeuwig kon inslapen: de tuin was in goede handen. De National Trust is een typisch Engels verschijnsel dat wel ergens een kwaliteitslabel is. Haar enige kind Mairi was ook niet zo contrary: zij gaf het huis en zijn inhoud aan de Trust in 1977.
Vandaag is het domein als enige in Noord Ierland voorgesteld als Werelderfgoed.
De trust beheert ook landschappen, soms op een uiterst discrete manier. Zo komen wij op de top van het schiereiland, in Portaferry, terecht op de Nugent’s woodwalk. Deze prachtige wandeling, in een oud bos langs het Lough, maakte vroeger deel uit van de Nugent's Estate. Een pad met kortgesneden gras volgt de flanken van het Lough, langs eeuwenoude bomen. Discreet landschapsbeheer: de Trust spreekt er op zijn site bijna niet over, en voor de toeristische dienst van Portaferry bestaat die wandeling zelfs niet.
De Trust doet ook prachtig werk een paar kilometer verder, waar zij het vissersdorp Kearney beheert en restaureert, et hier ook weer een prachtige wandeling langs de kust, op een kort gesneden graspad. De discretie van de Trust wordt hier overtroffen door Tomtom die verstek geeft en Kearney niet erkent.
Die National Heritage Trust is trouwens ‘incontournable’: wij ronden ons bezoek aan Belfast af met een bezoek aan een pub die door de Trust is gerestaureerd: de Famous Crown Liquor. En het landschap van de Giant Causeway is beheerd door – jawel – de Trust.
De weg naar het brein gaat langs de maag. Wij hebben de Ierse realiteit benaderd vanuit het pubfood, de paling van het Lough Neagh, de poteen in de maneschijn, de reuk van de ‘peat’, de Noorse kreeften van Portavogie en de humor met dubbele bodem van Lady Londonderry.
Rampentoerisme
Nu wordt het stilaan tijd om wat dieper in te gaan op de sociale realiteit.
De Ieren hebben de kunst om van ongelukken en rampen toeristische attracties te maken. Er zijn ontelbare Famine museums. Als ik morgen in Outremeuse met het voorstel op de proppen kom om een choleramuseum te openen word ik gek verklaard. In Ierland vinden zij dat normaal.

In Belfast heb je de Titanic tour. Als bij ons de Herald of Free Entreprise kapseisde veranderde de rederij Thowsend Thoresen haar naam in P&O. In Ierland zouden ze er zich op roemen die te hebben gebouwd.
In 67 begon de zoveelste republikeinse opstand. Gedurende jaren lag alle openbare leven stil. Honderden huizen werden in brand gestoken en tientallen mensen gedood. De Ieren maken er een toeristische attractie van: je kunt in Belfast met de « black taxis » een political Tour maken.
Dit wordt dus het vertrekpunt van ons tweede deel van dit reisverhaal.