dimanche 23 novembre 2008

Römertrier en Römertopfs - ons moezelverhaal III

Trier bouwt zijn imago op rond de Porta Nigra. Terecht, want de Romeinse ruines zijn dominant in het stadbeeld aanwezig. Behalve de Porta Nigra zijn er ook de Barbarathermen, op één na het grootste badhuis van het Romeinse wereldrijk; de Basilica; de Romeinse brug, nog altijd in gebruik; een Amfitheater enz.
Julius Caesar veroverde Trier in de Gallische oorlog (58-55 v. Chr.). Maar waarom is Trier, vandaag een prachtig provinciestadje van 95.000 inwoners, een van de vijf grootste steden van het Romeinse Rijk geworden, in illo tempore drie maal zo groot als Keulen?
Keizerlijk Trier
Er is natuurlijk de naam. Na een verblijf van keizer Augustus tussen 15-13 v. Chr. kreeg de stad de naam Augusta Treverorum. Maar, what’s in a name ?
Ook de Porta Nigra kan het belang van Trier niet verklaren. De poort was een onderdeel van vestingen die door de Romeinen zelf zijn afgebroken, in 200 nC, nadat een opstandig legioen er zijn uitvalsbasis van had gemaakt. Omdat die poort voor niets meer diende is ze in de middeleeuwen omgebouwd tot kerk. Napoleon liet die kerk terug afbreken en de Porta Nigra in haar oorspronkelijke staat herstellen. Ook de Luikenaars hebben hun kathedraal Saint Lambert afgebroken, maar daarmee was dezelfde Napoleon dan weer niet akkoord. De pot verwijt de ketel dat de porta nigra zwart is…Net als in Luik blijven van de vroegere Portanigrakerk alleen nog de voet van de pilaren over.
De vloek van Constantijn

Heeft keizer Constantijn de Grote dan Trier zo groot gemaakt? Hij bouwde er de Basilica; na het Pantheon in Rome de grootste Romeinse publieke zaal die de tand des tijds heeft overleefd. Overleefd is misschien een groot woord: eind van de 19de eeuw was het gebouw een ruïne. Men heeft een machtige aula - 67 m. lang en 27 m. breed – terug opgebouwd, juist naast de barokke pralinedoos van het paleis van de keurvorst en aartsbisschop. Als een symbool van de vloek van Constantijn. Een prachtig contrast tussen een sobere basiliek en een potsierlijk symbool van de rijkdom van de Reichskirche, de staatskerk van het Germaanse Roomse Rijk. De vloek van Constantijn is juist die band tussen Kerk en Staat: Constantijn was de man die het christendom officieel als godsdienst toeliet. Volgens sommige – waarvan ik – heeft die symbiose aan de godsdienst geen goed gedaan. Vandaar: de vloek van Constantijn.
Constantijn verbleef enkele jaren in Trier,
van 306 tot 312 n. Chr. Hij begon er aan de bouw van de Keizerlijke Thermen, waarvan de ruines nog altijd imposant zijn. En om goed duidelijk te maken hoe groot die Constantijn wel was, hebben ze in Trier langs de Thermen een voet neergepoot van de man. Het is weliswaar een afgietsel, maar toch. De resten van het oorspronkelijke beeld staan in het Capitolijnse Museum. Die Thermen hebben echter nooit als badhuis dienst gedaan. Toen Constantijn verhuisde naar Byzantium, in 314, bleef de bouwwerf braak liggen. De grote Constantijn heeft Trier dus niet groot gemaakt; daarvoor is hij niet lang genoeg gebleven. Hij heeft de stad groot gevonden…
In Trier is er verder ook nog een groot amfitheater, 75 meter lang, 50 meter breed, plaats voor 20.000 toeschouwers (ter vergelijking: de capaciteit van het Colosseum is 75.000). Dit theater ligt iets buiten de stad, maar als fietser moet je daar niet naar omkijken. En om dat omwegje nog wat te compenseren start in de buurt van dit amfitheater het Weinlehrpfad Petrisberg. Kleine compensatie weliswaar, want praktisch ieder dorp in de moezelvallei die zichzelf respecteert heeft zijn wijnleerpad. In Wintrich eindigt dat pad bij een Grosser Herrgott waar de Christus van Rio de Janeiro nog niet kan aan tippen.
Trier en geopolitiek
Maar de verklaring voor de uitzonderlijke plaats van Trier in het Rijk moet elders gezocht, in de geopolitiek. Strabo vermeldt als tweede belangrijkste weg van het Romeinse rijk die van Lyon naar Trier. Die weg passeert in Langres, strategisch gelegen op de waterscheiding van de stromen die naar de Middellandse zee en naar de Atlantische oceaan vloeien. De legioenen konden langs de bovenloop van de Saone en Maas tot in Toul, en vandaar naar de Moezel, over Metz tot in Trier. Trier blokkeerde, net zoals bij een schaakspel, het middenveld tussen Rijn en Maas.
Als wij het over strategische assen hebben, denken wij al te gemakkelijk aan de Romeinse heirbanen. Maar eigenlijk gebeurde het zware vervoer langs het water, en dit tot aan het begin van de industriële revolutie. Voor de Romeinen was de as Saône-Moezel strategisch. De Moezel was voor de Romeinse bootjes bevaarbaar vanaf Charmes, en de Saône vanaf de Corre. Tussen Charmes en Corre zijn er zestigtal km in vogelvlucht.
Volgens Tacitus had Nero zelfs een plan voor een kanaal tussen die twee rivieren, om zo « de moeilijkheden van de landroute te vermijden ». Dit kanaal is er 19 eeuwen later gekomen, maar het toont hoe belangrijk de waterwegen waren voor de Romeinen.
In Toul (Tullum) maakt de Moezel een bocht waardoor hij op twaalf km van de Maas passeert.
De mariniers van de Moezel
Ausonius, leermeester van de toekomstige keizer Gratianus aan het keizerlijk hof van Trier, (367 tot 375 nC), maakt een gedicht van 500 verzen over de « Mosella » : « De druif die zwelt in kristallen golven » (vitreis vindemia turget in undis).
Maar de belangrijkste aanduiding van het belang van die waterweg was het bestaan van de « nautae Mosallici »: de schippers van de Moezel. Een kroniek van 1522 vermeldt dat in de kerk van Saint-Privé-aux-Champs een grafsteen gevonden is met het opschrift: « M(arco) Publicio Sec[un] / dano nautaru[m] / Mosallicor(um) liber[t(o)] / tabulario » dwz « Aan Marcus Publicius Secundanus, vrijgemaakte slaaf van de mariniers van de Moezel, kassier».
Voor wie dit pietluttige detail niet overtuigend is – en dit kan ik aannemen : die grafsteen bestaat dus niet meer, enkel het spoor ervan in een kroniek – is er de tafel van Peutinger hierboven. Een kaart, helemaal niet op schaal getekend, die op een heldere manier weergeeft hoe de Romeinen hun omgeving beleefden. Geopolitiek in een notendop! In dit kader zou de Romeinse brug dus wel de titel van HET Romeins monument verdienen. De pijlers van die brug zouden autentiek uit die periode stammen. Ook het wijnschip, gevonden in Neumagen, met kopieën zowat elk dorp en stad, is dus meer dan alleen maar een uitgangsbord voor een weinstube. Niets verbiedt je trouwens in wat men als tonnen voorstelt ronde schilden van legioensoldaten te zien. Een paar eeuwen later heeft een miniatuurschilder er trouwens heiligenteljoren van gemaakt….
En nu we het toch over dat wijnschip hebben, als je in Trier een kopie van dat weinschiff voorbijloopt, vlakbij de Liebfrauenkirche, dan ben je vlak bij de weinstube Kesselstatt (Liebfrauenstrasse 10). De moeite waard: niet duur, met een interessante wijnkaart, en een indrukwekkende lijst regionale schotels, met krijt geschreven op grote borden boven de toog. Een tip van de Trotter!
Marcus Apicius en De re coquinaria
En nu we toch weer op een terrasje zijn aangeland, moet ik toch een woordje zeggen over Marcus Gavius Apicius, officieel kok van keizer Tiberius. Aan hem wordt het enige Romeinse kookboek De re coquinaria toegeschreven. Volgens sommigen trouwens een verderfelijk personage die heel zijn fortuin opofferde aan zijn passie et zich tenslotte zelfmoordde tijdens een banket waar hij de rest van zijn spaarboek voor op tafel had gelegd. Hij is de uitvinder van flamingotongetjes; om de kwaliteit van de varkenslever op te drijven voedde hij die met verse vijgen. En om de stress van het slachthuis te vermijden doodde hij die door hen wijn met honing te laten drinken.
Zijn kookboek is trouwens voorloper van de wereldkeuken. Doet het volgende recept je niet aan konijn op zijn Vlaams denken? Giet 30 cl chianti of andere sterke wijn in een kom, met evenveel water en 5 cl garum (romeinse vissaus, op basis van gefermenteerde vis; probeer het met oosterse vis- of sojasaus). Twee eetlepels mosterd, een prei met wortels en al, dille. Daarin de stukken konijn laten sudderen. Op het laatst vier dadels, twee droge pruimen en een ui laten meetrekken. Kruiden met peper, bonenkruid. Eventueel wat oppeppen met een zoete wijn. Om de zaak werkelijk authentiek te maken kook je dat in een Römertopf: je weet wel, die Romeinse schotels uit rode ceramiek waarin je zonder vet kunt koken.
Wij hebben in Trier uitgekeken naar een restaurant dat flamencotongetjes op zijn menu had. Zum Domstein heeft wel twintig Romeinse schotels op zijn menu staan en zou zelfs zijn garum zelf maken. Maar geen roze flamenco’s. Gelukkig maar misschien… Wij zijn uiteindelijk op dat prachtige terrasje van de weinstube Kesselstatt terechtgekomen, met zijn gezonde Rijnse boerenschotels. Meer moet dat voor een Moezeltoerist niet zijn. En een glaasje riesling erbovenop: proost, ausenius, vitreis vindemia turget in undis!

lundi 27 octobre 2008

bedevaart naar Markske - moezelverhaal II


De moezelstreek is voor marxisten zoals wij natuurlijk ook een beetje bedevaart naar de geboortestad van Marx: Trier. Onze Karl is er geboren, heeft er zijn vrouw leren kennen (een prille jeugdliefde, die een heel leven heeft standgehouden, ondanks heel harde levensomstandigheden), en heeft er zelfs een museum in zijn geboortehuis: het Museum Karl-Marx- Haus.
De SPD, de Duitse sociaal-democratische Partij kocht het huis in 1928. Een paar jaar later nemen de nazi’s het in beslag en maken er een drukkerij van. Na deze valse start is het museum tenslotte toch opengegaan in 1947. In de DDR werd op dat moment de stad Chemnitz omgedoopt in Karl-Marx-Stadt. Het museum wordt beheerd door de Friedrich Ebert Stichting, het studiecentrum van de SPD. Maar in feite weet de SPD met Marx geen weg. Dit wisten ze trouwens een eeuw geleden ook al niet. Na de dood van Marx in 1883 vroeg zijn wapenbroeder Engels hulp aan de SPD om het nagelaten werk van Marx uit te geven. De SPD heeft er een zootje van gemaakt. Jacques Attali, opperbankier van de EBRD, en dus niet speciaal een revolutionair, beschrijft dit uitvoerig in zijn « Marx, l’esprit du monde ».
Wie Marx zegt kan moeilijk het reële socialisme wegmoffelen. Daar was het Marx eigenlijk om te doen: de filosofie moest een wapen worden om de realiteit om te vormen. De Ebertstichting verstaat dat op haar manier: het museum is eigenlijk een gecamoufleerde versie van het zwartboek van het communisme. Maar daar hebben ze in Duitsland specialisten voor. Zo is Dachau omgevormd tot een antitotalitair gedenkteken waar nazi’s en russen op dezelfde voet gesteld worden.
Het meest sympathieke deel van dit huis is de tuin. De kunstenaar Klaus Kammerichs heeft drie levensgrote Karl-Marx figuren in beton gemaakt die een beetje weggestoken staan achterin een smalle beukenlaan. Een toespeling op de eerste zin van het communistische manifest: « Een spook waart door Europa - het spook van het communisme ». De kunstenaar wil met zijn beelden de bezoekers «verrassen en een beetje laten schrikken». Volgens de kunstenaar «toont die discussie over het roofkapitalisme dat Marx altijd opnieuw opduikt». Een beeldhouwer die nadenkt over waar hij mee bezig is. En een verbluffende reliëftechniek in beton die hij trouwens ook heeft toegepast voor een Beethoven.
Een derde chinezenVan de 42 000 jaarlijkse bezoekers aan het museum zijn 12 000 Chinezen. Een zekere Professor Yong Liang is zelfs een studie aan het maken over de Chinese bijdragen in het gastenboek van de laatste 30 jaar. Hij komt tot het besluit dat «de Chinezen duidelijk slimmer zijn geworden.» In de jaren 1980 en 1990 waren er veel politieke slogans zoals «Leve het Marxisme» of «China is uw tweede verblijf, kom even langs». Sinds 2000 zijn er volgens onze prof ook kritische beschouwingen zoals «Je hebt aan 1,3 miljard mensen grote schade toegebracht». Dat vindt onze professor dus het summum van Chinese wijsheid. Maar onze Doktor moet toch erkennen dat het bezoek aan Trier een soort bedevaart is voor de Chinezen, waarmee dikwijls een kinderdroom in vervulling gaat. Zijn onderzoek van de meer dan 10 000 Chinese bijdragen is nog niet gepubliceerd.
Marx, een BourgondiërDe bestseller van het museum is een wijntje: de Spätburgunder « Karl Marx ». Een donkerrode Pinot Noir. De SPD had misschien liever een rosé gepusht. Maar rosé is niet erg in in de Moezelstreek. De Karl Marxwijn komt van het ‘Weingut Erben von Beulwitz’ in Mertesdorf. Dit is het dorp waar het wijngoed van vader Marx gelegen was, op 15 km van Trier. Wij verliezen weliswaar met de erven van Beulwitz een beetje aan standing. De Viertelsberg van Hirschel Levy Marx maakte deel uit van de abdij, nu het prestigieuze domein Grünhaus. Het stond weliswaar onderaan de ladder van de abdijwijnen: er was eerst de Abtsberg, dans de Bruderberg. De Viertelsberg was voor de pachters - lijfeigenen die een vierde van hun oogst aan de abt moesten laten.
In de erfenis van de vader van Karl Marx werd dit domein vermeld voor een waarde van 3000 daalders. Het kadaster - Staatsarchiv in Koblenz vermeldt het domein Viertelsberg in Grüneberg, ten westen van het kasteel Grünhaus. Volgens een brief Jenny Marx werd die Grünhäuser Weinberg in 1859 verkocht. Karl Marx schreef in 1863 dat er nog vijf vaten wijn van 1858 over waren. Proost!
Vader Marx heeft trouwens die grond kunnen kopen dank zij Napoleon, die « en passant » alle anti-joodse Pruisische wetten in de vuilbak van de geschiedenis heeft gekiept. Vroeger mochten de joden geen onroerend goed bezitten. Vandaar dat zij gemakkelijk in de financiën terecht kwamen.
Vader Marx heeft dan ook zijn naam vergermaanst. Marx is een courante naam in het Rijnland, een afgeleide van Mark (Markske, als u wilt). De huidige bisschop van Trier noemt ook Marx en dit staat duidelijk te lezen op het naambordje van zijn ambtswoning aan de kathedraal van Trier. Vlakbij onze camping was trouwens ook een wijndomein Marx.
Marx was een Bourgondiër. Hij zei zelf dat de sigaren die hij opstak tijdens het schrijven van HET KAPITAAL meer gekost hebben dan het boek hem heeft opgebracht. Er zijn natuurlijk jaren geweest dat zwart brood troef was bij de familie Marx. Maar zelfs in die donkere jaren kon hij een glas wijn appreciëren. De 12 november 1866 schreef Karl Marx vanuit Londen een Brief naar Francois Lafargue in Bordeaux om hem te bedanken voor de wijn, die hij hem als remedie voor zijn ziekte had opgestuurd. ‘aangezien ik uit een wijnstreek voortkom en ex-wijndomeinbezitter ben, weet ik de wijn naar waarde te schatten’. Nooit vergeten wie de wijn gemaakt heeft
Nooit vergeten wie de wijn gemaakt heeft
Maar zijn smaak voor de wijn heeft hem nooit doen vergeten wie die wijn gemaakt heeft. In de "Neue Rheinische Zeitung" van 1848 schreef Marx over de nood bij de wijnboeren van de Moezel.
De Franse revolutie had het Pruisisch feodaal recht afgeschaft. Daarvan hadden niet alleen de joden geprofiteerd: de abdijen en andere kerkelijke en adellijke goederen werden onteigend, en werden voor een appel en een ei opgekocht door o.a. de wijnboeren. Maar die schone liedjes duren niet lang: na Waterloo, 6 maart 1821, wordt het Frans recht officieel afgeschaft en vervangen door het Pruisische recht, met herinvoering van de lijfstraffen enz. Maar de eigendommen gaan niet allemaal terug naar de adel en kerk. Desondanks kregen de wijnboeren heel snel te voelen wat het kapitalisme betekende. In 1834 vallen door het Zollverein alle tolbarrières weg in Duitsland. De moezelwijn tot dan toe praktisch de enige wijnstreek van Pruisen was moet nu opconcurreren tegen de goedkope wijnen uit het zuiden van Duitsland. De Moezelmannen krijgen hun wijn niet meer verkocht. Een zekere Dr. Felix Meyer beschrijft in „Der Weinbau an Mosel, Saar und Ruwer” de crisis van 1830-50: « Alcoholisme werd en plaag. Kleinere Schulden werden afgedronken. Voor 15 Pfennig kon men overal een grote melkkan vol wijn drinken en voor 50 Pfennig kreeg men de sleutel van de kelder”.
Het is in die context dat Marx in 1842 hoofdredacteur wordt van de Rheinische Zeitung. Hij is op dat ogenblik enkel democraat, en volgt de debatten in Rijnprovincie over de diefstal van hout in de bossen. Het is de eerste keer dat hij zich met economische kwesties bezighoudt. Artikel 14 van de nieuwe wet voorzag: « dat alle boetes voor houtdiefstal aan de eigenaar van het bos toekomen, evenals de dwangarbeid van alle veroordeelden zonder middelen. Die dwangarbeid bestaat eerst en vooral in bosonderhoud voor de boseigenaar. »
Diefstal van hout is natuurlijk een direct gevolg van de armoede. Marx schrijft met een bijtende ironie: « Om zich groen hout toe te eigenen, moet men het met geweld van zijn organische basis lostrekken. Deze manifeste aanslag tegen de boom, is ook via de boom een manifeste aanslag tegen de eigenaar van de boom. Wie echter enkel takken opraapt zit in een ander geval: U bent slechts eigenaar van de boom, maar de boom heeft niet meer de takken. Hout sprokkelen en hout stelen zijn dus twee totaal verschillende dingen. Als men elke aanslag tegen de eigendom zonder onderscheid als diefstal bestempelt, is iedere privé-eigendom dan ook geen diefstal?” De scherpe stijl is al Marx. De “pointe” is nog Proudhon met zijn pamflet “ Qu’est-ce que la propriété?” Anders gezegd: eigendom is diefstal.
Marx legt uit hoe de sluiting van de kloosters en het opheffen van hun hulp aan de armen deze laatste « zonder vergoeding, met verlies van hun oude rechten », (zoals het recht op sprokkelen) op de arbeidsmarkt had gegooid. Want « alle gewoonterechten van de armen waren gebaseerd op het feit dat een bepaald soort eigendom een onbepaald karakter had waarin het in laatste instantie niet duidelijk was als de eigendom privaat of gemeenschappelijk was. »
Maar onze bedevaart zit erop. Wij weten nu waar Karl de mosterd heeft gehaald. Maar daarmee hebben wij Trier nog niet bezocht. Dit is voor mijn Moezelverhaal III.
Wie in het duits iets meer wil lezen over het Karl Marxhuis kan terecht op http://www.derwesten.de/nachrichten/kultur/szene/2008/3/14/news-30605351/detail.html

mardi 21 octobre 2008

Een Moezelverhaal : fietsvacantie langs de Moselradweg. Deel I

Een Moezelverhaal : fietsvacantie langs de Moselradweg.
Er is fietsvacantie en fietsvacantie. Er zijn van die mensen die kuitenbijters zoals de Mont Ventoux oprijden ; en er zijn er zoals Paula en ik die angstvallig elke helling proberen te vermijden en die proberen een route uit te stippelen met 2,5% helling maximum. Die 2,5% komen overeen met een fietspad op een afgedankte spoorweg...de Moselradweg
Een paar maand geleden kwam Paula thuis met een vacantiesuggestie van een vriendin : de Moselradweg. 545 km, waarvan 250 in Duitsland. Mijn eerste reactie was een beetje achterdocht : is het mogelijk om in een valleitje zoals de Moezel te fietsen zonder al te veel met de vierwielers geconfronteerd te worden ?
Want wij zijn niet alleen moeilijk voor die 2,5% stijgingsgraad, maar wij zijn ook uitgesproken voor de apartheid wat betreft zwak verkeer. Wagens aan de ene kant ; fietsers en voetgangers zo ver mogelijk daarvan weg. De uitlaatgassen, dat gaat nog ; maar het zijn die mannen achter dat stuur…
De Moselradweg heeft al die beloften ingewilligd: wij hebben van Trier tot Traben Trarbach enkel op autovrije fietspaden gereden, door de wijngaarden, van postkaartje tot postkaartje. Want dat zijn al die stadjes zoals Bernkastel, Traben-Trarbach, …
Kleine restrictie : de laatste 25 km van Cochem tot Koblenz zouden minder interessant zijn voor fietsers : daar is de radweg herleid tot een fietsweg langs de baan. In het Luikse zouden wij dat al een luxe noemen; maar voor de schitterende Moselradweg wordt dat, door contrast, een vlek op het blazoen.
Daarlangs bestaat er ook de fietsbus : verschillende keren per dag kan men zijn fiets voor twee euro op een oplegger zetten die aan de lijnbus is vastgemaakt. Die fietsbussen rijden ook op de lijn Daun – Bernkastel, langs de Maaren Mosel route, een oude spoorweg die vanuit Daun, in volle Vulkaaneifel, afzakt naar de Moezel.
Fietsvervoer kan in Duitsland op de meeste treinen, bussen en boten. De Deutsche Bahn heeft een Fietser-Hotline (Tel. +49-1803/194194).
En tenslotte zijn er nog de toeristische boten die allemaal fietsen aannemen en waarmee men dus de terugweg kan verzekeren.
Voor wie graag een klimmetje meepikt is daar de Eifel-Mosel Route (186 km), de Kylltalradweg (130 km), de Nahe Hunsrück-Mosel Radweg (190 km), de Nahe Radweg (120km), de Radweg Saar-Hunsruck (111km) of de Vulkan-Rad-Route Eifel (77km).
Paradijs voor mobilhomers
Onze formule van fietsvacantie is uitwaaieren vanuit een camping, de fiets op het wagenrek, voor kleine tochtjes van 30-40 km. Waar strijk je dan het best neer ? Bernkastel-Kues leek mij een interessante uitvalsbasis. Niet al te ver van Trier (ik leg verder uit waarom) ; op dagafstand van Traben Trarbach. Maar ook het eindpunt van de Maaren Mosel route.
Zoals je merkt zijn al die stadsnamen dubbel : Bernkastel- Kues, Traben-Trarbach. De meeste stadjes zijn een fusie van twee dorpjes aan elke kant van de stroom. Voor de camping wezen alle internetpijlen naar de Camping Schenk in Bernkastel-Wehlen, met, naar het schijnt, « een hele vriendelijke campingeigenaar die de boel runt met zijn vrouw », « waar de beheerders altijd voor je klaar staan. Sanitair super schoon ». Verder is deze camping mooi gelegen direct aan het fietspad langs de Moezel. Kortom, dit was onze eerste keus.
Omdat wij ruim de tijd hadden (de Moezel is nog geen twee uur rijden van Luik) zijn wij ook naar onze tweede keus gaan kijken : Campingplatz Kueser Werth, op een groen schiereiland tussen de Moezel en de jachthaven van Bernkastel-Kues. Een mooie ligging, maar een nogal grote camping met niet te veel schaduw.
Kortom, wij gaan terug naar onze eerste keus in Wehlen waar wij te horen krijgen dat alles gereserveerd was. Een verwittiging voor kampeerders : langs heel de Moezel zijn campingplaatsen voor “trekkers” nogal schaars ; verder staan de echte campings voor drie vierden vol met residentiële caravans. Daarentegen is de streek een paradijs voor mobilhomes, met practisch in ieder dorp een goed uitgeruste standplaats. Wie dus absoluut zijn zinnen heeft gezet op een bepaalde camping kan dus best reserveren.
Wij zijn dan richting Trier gereden waar wij in Wintrich met ons gat in de boter vallen. Georgshof is een kleine camping met een sympatiek gezin als uitbater (en trouwens ook, zoals de helft van de mensen daar, wijnboer). Een klein detail dat de man helemaal typeert : na een zwaar onweer is het eerste wat hij doet op de camping komen vragen als er niemand schade heeft. Terwijl in zijn wijngaard de helft van zijn druiven geblutst waren door de hagel… Behalve uw dienaar, met zijn boerenroots, heeft geen enkele kampeerder er zich rekenschap gegeven dat de man in hetzelfde onweer zowat de helft van zijn oogst had verloren…
Wij hebben natuurlijk de verleiding niet kunnen weerstaan tijdens onze fietstoertjes alle campings binnen te rijden die wij passeerden. De campings van Nemagen en Wolf zijn zeker aan te bevelen.
Daar zitten wij dan, op 40 km van Trier, 12 km van Bernkastel, 28 km van Traben Trarbach. Midden in een prachtig landschap, met wijngaarden alom.
Een nieuw landschap
Wij hebben dus ons tenten opgeslagen op de camping Georgshof, op 100m van de Moezel, midden in een prachtig landschap, met wijngaarden alom. Een nieuw landschap : de Moezel zelf is gekanaliseerd tussen 1956 en 1964 voor boten tot 3000 ton (die sluizen en dergelijke zijn trouwens voor twee derden door Frankrijk betaald, voor zijn staalindustrie in Lorreinen). Een vreemd zicht trouwens, die boten met ertsen, kolen en schroot te zien voorbijvaren in dit postkaartlandschap. Bijna ons Albertkanaal in Herstal.
En de flanken van de vallei zelf zijn het resultaat van een ruilverkaveling in de jaren zestig, met, net zoals bij ons in Haspengouw, kleine rustige betonwegjes die de toegang tot de soms steile wijngaarden moeten vergemakkelijken. « Vergemakkelijken » is erg relatief: die wijnbouwers die zich op hun kleine tractoren in de diepte storten zijn echte waaghalzen. Ik dacht op het eerste zicht dat die tractortjes beveiligd waren door een soort katrolsysteem ; maar nee dus : het is koorddansen zonder net !
Een bedreigd landschap trouwens. Van de 12000 ha na de laatste ruilverkaveling blijven nog 9000 ha over. Het aantal boeren voor wie de wijnbouw de hoofdactiviteit is is gezakt van 5219 in 1979 tot 1652 in 2003. In dat jaar had 34% geen opvolger. De pacht die men kan krijgen voor dergelijke percelen is zo laag dat de mensen die liever braak laten liggen als ze te verhuren voor een appel en een ei. Een ramp voor de streek en het milieu : in het klassieke schema van het kapitalisme gaan de gronden die vrijkomen door het uitschakelen van de kleine uitbaters naar de grote die zo hun productiviteit kunnen opdrijven. Maar op die steile hellingen is mechanisatie sowieso erg beperkt. Dus komen die percelen braak te liggen. Die lege plekken vallen nu nog niet zo op, maar zouden in de toekomst wel het landschap kunnen lelijker maken.
De uitbatingen zijn enorm versplinterd ; om leefbaar te zijn moet een wijnboer 3 ha kunnen bewerken, maar de grote meerderheid van eigenaars zitten daar ver onder omdat het wijnboeren voor hen een bijkomstige bezigheid is, na een full timejob in het nabije Luxemburg, of langs andere toeristische activiteiten zoals B&B (‘zimmer frei’) of de strauszwirtschaft. Wadisda ?
Strauszwirtschaft
Google translation en onze internetvertalers weten met dat woord geen weg ; dan maar het woord opzoeken in een woordenboek in het eerste grootwarenhuis dat wij tegenkomen. Ook daar uiteenlopende antwoorden. Strausz is een bos of een bundel. Dus zou dat iets kunnen zijn waar je met een bundel vrienden kunt neerstrijken. Maar de verklaring van een bos bloemen leek ons het meest aannemelijk: wanneer de nieuwe oogst eraan komt, moeten de vaten leeg, en hangt de wijnboer een bloemenkrans aan zijn poort om aan te geven dat er wijn te krijgen is. De « Winzer » mag vier maanden per jaar zijn wijn te slijtenop zijn domein. Vandaag mag men daar ook « eenvoudige » maaltijden aanbieden, kwestie van geen al te directe concurrentie aan te gaan met echte restaurants. Maar meer moet dat niet zijn : die strauszwirtschaften zijn ware paradijsjes, waar je voor schappelijke prijzen de wijntjes van het domein kunt proeven (als die je aanstaan kan je altijd terugkomen), en terzelfdertijd nog iets achter de kiezen steken.
De Schorle
Op de wijnkaarten vind je steevast de Schorle terug. Dit is en andere manier om de wijn te slijten. Een mengeling van wijn met bruisend mineraal water noemt men een Weinschorle, of Sauergespritzter Wein. Maar dat mag ook citroen- of appelsienlimonade zijn, en dan spreekt men soms van „Arbeitersekt“ en zelfs Cola, die in het algemeen gemengd wordt met rode wijn („Cola-Schobbe“ - beurk). In Zuid Duitsland zou men dit brouwsel Duden durven noemen, vandaar waarschijnlijk de Almdudler, een drankje dat aan bergbeklimmers geserveerd wordt en dat ik op mijn achttiende ontdekt heb in de Hochgebirgschule Tirol.
Een Sommerschorle is nog meer aangelengd en zou de dorst beter lessen.
Persoonlijk vind ik elke mengeling zonde van de wijn. Tenzij die wijn nu bijzonder slecht is en azijn geworden is. Doe eens en kleine proef : meng azijn met bruisend water. Je zal vaststellen dat dergelijk drankje een beetje naar limonade smaakt. Kwantiteit verandert in kwaliteit : dat was waarschijnlijk de basis van de mirakel van de bruiloft van Kanaa.
En met die Schorles geraken de vaten natuurlijk niet leeg. En dat was toch juist de bedoeling van de strauszwirtschaft…
De Riesling « Classic »Wat zijn die wijntjes waard ?
Ondanks herhaalde herverkavelingen zijn de wijndomeinen erg versplinterd. En binnen die paar hectaren zal men soms nog een twintigtal wijnen maken, volgens de plaats en volgens het pluktijdstip. Want men werkt zoveel mogelijk zonder personeel, wat maakt dat men de oogst over zoveel mogelijk maanden spreidt, om de laatste druiven te plukken in januari, met de voor mijn smaak te zoete Eiswein.
Door dat artisanaal gedoe is er een enorme variatie, van het slechtste tot het beste, en dat allemaal voor dezelfde prijs. Zo hebben wij practisch de volledige lijst van ons Georgshof (onze camping) geproefd. Met een positief vooroordeel : het is altijd overtuigender thuis een fles boven te halen van de camping waar je gelogeerd hebt. Geen enkele is in onze smaakproef geslaagd.
Over het algemeen maakt men de Moezelwijn nogal zoet. Zij noemen dat Lieblich. Is dat een manier om de scherpe kantjes van dat artisanaal werken wat weg te moffelen ? Of is het een aanpassing aan de moderne smaakpapillen die van jongsaf geconditionneerd zijn door zoet ? Men moet soms wat zoeken om een « trocken » te vinden. Er is een gradatie van kabinett, auslese, spätlese, Beerenauslese (daar wordt theoretisch druif per druif geplukt), Trockenbeerenauslese, Eiswein. Deze wordt geplukt tijdens de vorst van de vroege ochtenduren en levert bevroren druiven (door uitdroging feitelijk rozijnen).
Stuk voor stuk benamingen die niet erg betrouwbaar zijn. Veel interessanter is het restgehalte suikers. Heel instructief. Het Weingut Matthiashof -een van onze pleisterplaatsen in Wintrich - geeft op zijn angebotsliste die restsuikers. Hun droge Weisburgunder (waarvan wij een doos mee naar huis namen) 6,3 restsuikers. Hun Riesling Spätlese die zij klasseren bij de « milde liebliche weine » klimt al tot 65 restsuikers, tien keer zoveel.
Het meest onvoorspelbaar etiket is de Riesling « Classic ». Soms dekt dat etiket een droge wijn ; soms is het de klassieke zoetigheid van de Moezelwijnen.
De Koningsdruif van de Moezel is Riesling. Een heel interessante druif; maar die rijpt wel heel wat later dan de oorspronkelijke druif Elbling. Feitelijk wel een handicap voor een wijngebied dat toch erg noordelijk ligt. Vandaar dat de Riesling op sommige minder zonnige percelen wel ietsje onrijp geplukt zal worden.
Een hint die goud waard is : elk dorp dat zich respecteert heeft ergens een zonnewijzer. Dit "Sonnenuhr" ligt altijd op een helling met een perfecte zuidligging. Of bijna perfect: op het Wehlener Sonnenuhr ontbreekt de 7. Waarom? Omdat de zonnewijzer dan volledig in de schaduw ligt. De wijngaarden errond krijgen vaak in hun benaming Sonnenuhr. In principe interessante wijntjes van zonovergoten percelen. En logisch gezien heeft een Wehlener Sonnenuhr Kabinett ( die zonnewijzer zonder zeven) waarschijnlijk minder zon gezien dan een Brauneberger Juffer Sonnenuhr Riesling Kabinett…
Naats die late rijper Riesling wordt in de Moezel ook witte wijn gemaakt van Weissburgunder, Müller-Thurgau, en zelfs af en toe nog een beetje Elbling, die je vooral in het Groot Hertogdom terugvindt. Rode wijnen komen van o.a. Spätburgunder en Regent.
Een tip voor wie de franse benjamingen gewoon is: waar je Burgunder ziet mag je Pinot lezen. Een Weissburgunder is dus een Pinot Blanc, enz.
In de gewelven van het St. Nikolaus Hospitaal van Kues wachten meer dan 160 wijnen op een degustatie. Daarna kunt u uw pas verworven kennis gebruiken om uw lievelingswijnen uitkiezen in de shop van de vinotheek. Persoonlijk raad ik echter aan die wijntjes zonder pretentie te proeven in een strauswirtschaft, en daar een aantal flessen te bestellen als die meevalt.
Met wat ik de wereldwijnen noem (de Coca Cola van de wijnen) zijn er natuurlijk minder verrassingen, goede noch slechte. Een 3200 wijnboeren zijn aangesloten bij de coöperatieve Moselland, in Bernkastel. Spijtig genoeg heb ik dat te laat ontdekt, via Google, bij het opstellen van deze tekst. Het areaal dat Moselland beheert beslaat ruim 2200 ha (een vijfde van het gehele Moezelareaal). Een deel van de boeren levert zijn gehele productie aan Moselland (wat hen niet verhindert die onder hun eigen etiket te verkopen), een ander deel maakt ook wijn in eigen beheer. Moselland is vooral sterk in het supermarktkanaal. Dit is een bedrijf waar de inoxtanks tot 200.000 liter kunnen bevatten. Voor de echt grote afnemers maakt Moselland zelfs wijn ‘op recept’: de smaak wordt afgestemd op de wensen van de grootafnemer.
Marx eigenaar van een wijndomein
Nu we het toch over ‘wijn op recept’ hebben : een van de meest verkochte producten in het Karl Marx Haus in Trier is hun Spätburgunder « Karl Marx ». Die komt niet van de wijngaard van de familie Marx (vader Marx had anders wel een neus voor die dingen: de“Viertelsberg” maakt vandaag deel uit van het chique ‘Grünhausdomein’ in Mertesdorf : zowat de Saint Emilion van de streek). Het Karl Marxhuis betrekt zijn wijn van de ‘Weingut Erben von Beulwitz’ in hetzelfde Mertesdorf.
Onze Karl Marx was inderdaad van levensstijl een boergondiër, tenminste voor zover hij het zich kon permitteren en hij niet bijna van honger omkwam. Volgens de site van Château Margaux zou Engels aan Karl Marx hebben gevraagd: "Wat is je grootste geluk?" En Marx zou hebben geantwoord: « Een fles Château Margaux 1848! ». 1848 was ongetwijfeld een groot jaar voor de revolutie in Europa ; over de Margaux van dat jaar durf ik mij niet uitspreken.
Maar zijn smaak voor de wijn heeft hem nooit doen vergeten wie die wijn gemaakt heeft. In de "Neue Rheinische Zeitung" van 1848 schreef Marx over de nood bij de wijnboeren van de Moezel. Maar dit kun je lezen in een volgende aflevering.

mardi 26 février 2008

Wandeling boven Saint Leonard: bâneux, bos van Fabry, citadel

La Braise - Verbroedering Luik – Leuven
Overzicht
Wij stellen een wandeling voor op de flanken van de vallei. De nieuw aangelegde wandelpaden geven een prachtig overzicht van eeuwen sociale en economische geschiedenis. Langs de rue de Bâneux komen wij aan de mijn van Baneux. Aan de overkant van het spoor, in het station van Vivegnis, kwamen na de oorlog de Italianen toe om in de mijnen te komen werken. Wij gaan naar boven langs wat in de Middeleeuwen misschien de 600 degrés waren, waarlangs 600 Franchimontezen Karel de Stoute probeerden te verschalken. Wij komen door het bois Fabry, waar Fabry is begraven geweest die in 1789 en in 1792 – de Franse én de Luikse revolutie - burgemeester van Luik was. Wat verderop komen wij, langs de splinternieuwe GR, de «Sentier des terrils», aan de citadel. Het is niet voor niets dat de prinsbisschoppen daar hun citadel hebben gebouwd. Om de stad, maar vooral henzelf te beschermen. Langs de citadel bezoeken wij het ereperk van de weerstanders die door de Duitsers zijn gefusilleerd. Langs de rue Pierreuse - in de Mideleeuwen een van de belangrijkste verkeersaders van de stad – dalen wij af naar het stadscentrum. Wij passeren langs de « promenade des coteaux » la Tour des vieux Joncs, of torentje van Alden Biesen.
De mijn van Baneux
Vanuit de rue de Baneux krijgen wij een prachtig zicht op wat in de middeleeuwen en in het tijdperk van de industriële revolutie een industriezoning is geweest, aan de poorten van de stad. Saint Leonard, met zijn kanonnenfabriek, zijn lokomotievenfabriek, de zinkfabriek van Vieille Montagne die jarenlang de lucht verpestte…

De Charbonage du Baneux waarvan wij hier de « paire » zien is met la Plomterie een van de oudste mijnen in Luik. De Plomterie werd in 1585 al vermeld. De mijn van Bâneux is gesloten in 1942. In het goederenstation van Vivegnis, daar rechtover, werden vanaf 1946 de Italianen aangevoerd die op kolencamions, zoals werkvee, naar de respectievelijke mijnen werden gevoerd. De italiaanse mijnwerkers hebben de mijn van Baneux dus niet van binnen gezien. In juin 1946 engageert Italie zich om 50 000 italiaanse arbeiders te leveren aan België. In ruil zal België jaarlijks 2 à 3 miljoen ton kolen leveren aan Italie. Verkocht voor een paar zakken kolen…
In de verlaten galerijen van Baneux werd ook gezocht naar de slachtoffertjes van Ait Oud, Stacy en Nathalie. Die werden teruggevonden in een afvoergracht langs de spoorweg, een paar honderd meter verder… Maar wij zijn hier niet als ramptoerist.
De araine van Richonfontaine
De mijn van Baneux roept goed op hoe de kolen werden gedolven voor de uitvinding van de door stoom aangedreven pompen : vanuit de flanken van de vallei, waar de Maas de kolenlagen had blootgelegd. In het Luikse bekken was niet het vuur de belangrijkste vijand, maar het water. Al die putten en uitgegraven kolenlagen vulden zich snel met water. Deze waterhuishouding werd geregeld via de araines, waar wij trouwens in de rue Hors Château nog het oog kunnen bezoeken : Richonfontaine. De eigenaars van die araines verkochten het afgevoerde water aan het drinkwaternet van de stad. Bij het aanleggen van het rioolnet heeft men dat water in de riolen afgvoerd. Gevolg : het nieuwe zuiveringsstation heeft problemen omdat de riolen te zuiver water aanvoeren. De wraak van de arainiers ?
Zolang men dat water niet kon oppompen was het enorm moeilijk kolen te winnen onder het niveau van de Maas.
Het water van een bepaalde zone werd dus afgevoerd via de araine. Die zone werd « zee » genoemd. Onder het niveau van de araine was alles vol met water. Wie in die zone kolen won moest 1/80 afstaan aan de eigenaars van de araine.
Er waren heel strenge reglementen die verboden verbindingen te graven tussen twee zones. Dat had natuurlijk te maken met de inkomsten, maar diende ook die veiligheid. Als nu bijvoorbeeld de araine Brosdeux die aan de araine van Richonfontaine grensde tien meter hoger lag, dan kon bij een doorbraak tussen die twee zones die tien meter water de galerijen van Richonfontaine overspoelen. En er konden heel wat tonnen water staan in ondergelopen galerijen.
De puits de Payenporte drooggelegd
Die araines waren een belangrijke bron van inkomsten voor de heersende klassen van die tijd, die dan ook tandenknarsend toezagen hoe de Franse (en Luikse) revolutie hun privilegies in de voddenmand keilde. Die revolutie was ook het startschot voor een concentratie van de kleine middeleeuwse mijntjes. Een aantal van de grote families die aan de wieg van België gestaan hebben (Orban, Jamar) brachten een aantal mijnen samen in de société de Bonne-Fin, die in 1830 de Charbonnage du Baneux opkoopt.
Deze fusies waren ook het startschot voor een totale wildgroei, waar een aantal regels die dateerden van de Paix de St-Jacques, 5 april 1487, royaal met de voeten werden getreden. Deze eeuwenoude wetgeving regelde een vitaal probleem voor de Luikse mijnen : het water.
Met de franse revolutie worden die araines dus afgeschaft. Met die feodale overblijfsels worden ook de veiligheidsmaatregelen weggespoeld die de winstvoet aan banden legden.
Zo krijgen wij op 15/9/1825 een waterdoorbraak in de Plomteriemijn. De uitbaters van de Plomterie hadden langs de kolenlaag Marais een verbinding tot stand gebracht met onder watergelopen galerijen van Baneux Als gevolg daarvan zijn er in de Vivegniswijk grondverzakkingen en krijgen wij veranderingen in het waterpeil van drinkwaterputten, waaronder die van de Citadelle. De citadelle betrok zijn water uit een oude mijnschacht (99 meter diep). Vauban vond die put een van de beste drinkwatervoorzieningen van al de vestingen die hij bezocht. Het kapitalisme krijgt die put droog. Na de waterdoorbraak van 1825 moeten de militairen hun water op 124 meter gaan zoeken. En in 1935 staan zij opnieuw droog en moeten nog vier meter dieper gaan.
Bij de demilitarisering van het fort wordt de put dichtgemetseld. De speleologiegroep Abyss maakt de ingang terug vrij en 1970 en slaagt er in 1977 de put te laten klasseren. Maar de toegang is vrij delicaat wegend de aanwezigheid van mijngas. Waarom denkt men er niet aan met dat gas een deel van de gebouwen te verwarmen ?
Bonne-Fin kampioen van de mijnschade
De Conseil de régence krijgt schrik voor het droogvallen van de fonteinen (die hun water kochten van de areiniers ) en voor de veiligheid van de inwoners, en weigert iedere nieuwe concessie. Maar de koning Willem van Oranje geeft die toelating wel. Het is niet voor niets dat een John Cockerill bijvoorbeeld Orangist was en in zijn kasteel van Seraing de wapenspreuk « je maintiendrai » liet beitelen. Maar die waterdoorbraak was toch het einde van de put van de Plomterie. Maar Baneux en een aantal andere mijnschachten van de Bonne Fin bleven open en Baneux ging in 1942 – jaar van de sluiting - 350m diep.
De situatie van zijn verschillende mijnschachten maakte van Bonne-Fin de kampioen van geschillen en mijnschade. In 1875 tenslotte verklaarde de Staat alle concessies die onder het stadcentrum liepen ongeldig.
De wandelweg loopt op het traject van een splinternieuwe GR of Grote Routepad (Grande Randonnée), de «Sentier des terrils», 300km wandelweg die Bernissart (de mijn waar onze iguanodons zijn gevonden) verbindt met Blegny-Mijn. Deze GR heeft het nummer 412 gekregen als eerbetoon aan Sint Barbara, patronnes van de mijnwerkers, die men viert op 4 decembre (4/12). Deze wandelweg doorkruist het bos van Fabry : met de plaatsnaam en een bijna onleesbare plaat, door een scoutsgroep geplaatst, de enige herinnering aan een groot man die mee de geschiedenis van Luik geschreven heeft. De revolutionnaire burgemester JJ Fabry, woonde er en is er begraven geweest, voor men zijn stoffelijke resten heeft overgebracht naar het kerkhof van Robermont. In de kronieken lezen wij : « Le 3 décembre 1792 eut lieu la réinstallation du Conseil municipal proscrit par les tyrans, et rétabli provisoirement par les vengeurs des droits des peuples. Il adopta la proposition faite au nom de la société populaire de considérer comme abolies les charges aristocratiques, dispendieuses et inutiles de bourgmestres, et il se donna un président et un secrétaire qui furent Fabry et Bassenge ».
Het bois Fabry is dus een van de enige herinneringen aan de grote Fabry. Het is met de Luikse revoluties zoals met veel revoluties : de enige sporen die overblijven is wat ze hebben weggeveegd. En dat is in Luik heel wat. De kathedraal Sint Lambert is afgebroken en heeft jaren als stenen geleverd voor heel wat gebouwen in Luik. Op de pont des Arches stond de Dardanelle, een grote vierkante toren over heel de breedte van de brug : afgebroken. En het heeft geen haar gescheeld of het stadhuis van Luik, La Violette, was afgebroken maar men vond dat de band met dde prinsbischoppen niet zo evident was. Overal werden de symbolen van de tyrannie weggebeiteld. Op de meeste plaatsen werd het kruis boven het perron weggekapt. Ook de openbare fontainen, zoals die van de Place du Marché, werden politiek gecorrigeerd. Maar de haat zat heel diep. Zo heeft men, Rue Pierreuse, 71, À LA COURONNE DE FER, de kroon weggebeiteld. Boven het N°33 van de rue H Château heeft men de leeuw op het uitgansbord « au lion blanc » weggewerkt. In de rue des Tanneurs N°35 moest de zwarte arend van « l’Aigle noir » eraan geloven. En in Hors château N°45 werd zelfs een engel weggekapt, en in de impasse ernaast de kroon van de Impasse de la Couronne. Met wortel en al uitgeroeid. Of toch niet ? Wij vinden de laatste prinsbisschop van Luik en aartsvijand van onze JJ Fabry, François-Antoine-Marie de Méan (1756 - 1831) op 28 juli 1817 terug als aartsbischop van Mechelen waar hij op in 1831 sterft als eerste primaat van het kersverse België… Of : onkruid vergaat niet.

lundi 24 décembre 2007

Barcelona4 Catalaans nationalisme en sagrada familia

Het Catalaans nationalisme
Het Catalaans nationalisme is een product van de catalaanse burgerij, en Gaudi is een product van dat catalaans nationalisme. De rijke Barcelonezen werden “Indiërs” genoemd, omdat hun fortuin verdiend werd in Cuba en Puerto Rico. Die burgerij neemt niet alleen de corporatistische doctrine van de katholieke kerk over. Zij legt ook een zekere nostalgie aan de dag voor de slavernij. Vader Guell, Joan, was voorzitter van de Spaanse Overzeese Kring van Barcelona, die als doel had de slavernij te verdedigen tegen de abolitionisten. In 1868 begon met de tienjarige oorlog voor de onafhankelijkheid van Cuba een slechte tijd voor de “Indiërs”. In 1871 schrijft Joan Guell de brochure “rebellion cubana”, waarin hij verdedigt dat de slavernij de enige manier is om de vorming van een Cubaans gevoel te vermijden.
In 1895-1898 leidt een nieuwe oorlog tot de Cubaanse onafhankelijkheid. Het is in die contekst dat de burgerij van Barcelona zich vastklampt aan een eng corporatisme, om dan toch de uitbuiting van hun eigen arbeiders veilig te stellen. Vergeefse moeite: in 1909 krijgen wij Tragische Week van Barcelona (‘Semana Trágica de Barcelona’) die begon als protest tegen het sturen van reservisten naar de oorlog met Marokko en die eindigde in oproer en een algemene staking; de massale algemene staking van 1917. De sociale opstandigheid werd bestreden met harde en soms illegale repressieve maatregelen: de “wet op ontsnappingen” werd gebruikt om activisten te vermoorden die door de politie of het leger waren aangehouden. Francisco Ferrer y Guardia was een bekend Spaans vrijdenker. Ons “maison médicale” van Geneeskunde voor het volk is in de Avenue Ferrer in Herstal. De wereld is toch klein, nietwaar… Die Ferrer richtte in 1901, in Barcelona, de `Escuela Moderna' op. Zijn school richtte zich op een geheel nieuwe wijze van onderwijs. In 1906 werd zijn school gesloten en moest Ferrer in ballingschap naar België vertrekken, nadat duidelijk werd dat Mateo Morral, een goede vriend en medewerker van Ferrer, een dodelijke bomaanslag had gepleegd op de Spaanse koning, Alfonso XIII. In 1909 keerde Ferrer terug naar Barcelona, waar hij tijdens de `Tragische week' opgepakt werd en ter dood veroordeeld.
In 1910 was het bezoek aan de kolonie Guell een van de hoogtepunten van de Spaanse Sociale Week, speciaal in Barcelona georganiseerd na die Tragische week.
Het is dus voor dat project dat Guell in 1898 aan Gaudi vraagt een nieuwe kerk te bouwen. Het plan lijkt verbazend op de maquette voor de Sagrada Familia. In 1915 is de crypte af, en wordt officiëel gewijd. Als je bij Gaudi op de voltooiing van het hele gebouw zoudt moeten wachten… In maart 1916, twee jaar voor de dood van Guell, wordt de bouw van de kerk definitief opgegeven.
Natuurlijk was Gaudi enkel de architect, en het politiek engagement van de Guells laat natuurlijk geen directe extrapolatie toe. Daarom hier en paar citaten die bewijzen dat onze “mislukte” architect toch niet zo ver van de ideeën van zijn broodheer stond: “ De sovjets zijn een noordelijk verschijnsel. Ze hebben het kapitaal willen collectiviseren – communisme- en hebben het zo zijn verantwoordelijkheid ontnomen. Maar het gebrek aan verantwoordelijkheid brengt de vernietiging van het kapitaal mee en geheime misbruiken”. En ook nog: “De democratie is de heerschappij van de onwetendheid en de domheid. Ze heeft gewild dat iedereen deelnam aan dezelfde miserie. Zo zijn de huizen van het oude Barcelona, met hun pergolas, hun grote patios et tuinen waarvan alle buren profiteerden, vervangen door de huizen van de Nieuwstraat waarvan de patios vuile holen zijn”. Dit gaat direct over democratie en architectuur. Alhoewel wij Gaudi, in zijn nostalgie naar die patios, geen ongelijk kunnen geven. Het is ongelooflijk hoe weinig groen er is in de Eixample, de uitbreidingen van het oude Barcelona, gebouwd rond 1900, ondanks het feit dat deze wijken in de green field zijn gebouwd, met straten die met de meetlat zijn uitgetekend…
De “Sagrada Familia”
Gaudí is niet begonnen met die kerk. Hij heeft ze trouwens ook niet afgewerkt, waardoor deze kerk ook nooit gewijd is; daarom spreekt men trouwens van de tempel. De streefdatum is nu 2026. Salvador Dali vond dat men de afwerking van de kathedraal moest overlaten aan de mannen van de tram « als boete ». Gaudi heeft namelijk zijn einde gevonden door onder een tram te lopen. De term “boete” is een toespeling op de volledige naam “ Temple Expiatori de la Sagrada Família”. De term “ boete” slaat op de sociale ontwikkeling. Net zoals in Parijs een taks werd geheven om Montmartre te bouwen, als boete voor de Commune van Parijs, hoopte de Catalaanse burgerij met dit project God eroe te bewegen de voor haar nefaste sociale ontwikkeling terug te draaien. De bouw, die enkel door giften zou betaald worden, zou een expliciet middel worden voor een sociale loutering. Als Gaudi verneemt dat er geld over was na de voltooiing van de gedachteniskerk van Montmartre, zegt hij: “bij mij zal dat nooit het geval zijn”.
Maar Gaudi gaat nog een stap verder. Op een bepaald moment is het geld op en Gaudi trekt zelf de straat op om geld op te halen. Hij vraagt steun aan iemand: “breng een offer”. De man antwoordt: “met plezier; het is absoluut geen offer”. Gaudi dringt dan aan om zijn gift te vergroten tot het voor hem iets kostte, “want liefdadigheid zonder offer is geen echte liefdadigheid maar dikwijls eenvoudigweg ijdelheid”. Voor Gaudi slaat de term “Expiatori” op een gods-en mensbeeld dat bij de flagellanten tot een hoogtepunt kwam maar dat eigenlijk zijn wortels vindt in het katholieke geloof zelf. De albino die in de Da Vinci code zo nu en dan een martelband rond zijn dij knoopte is geen exclusiviteit van de opus dei. De dominicanes Soeur Sourire beschrijft hoe zij in haar kloostercel een zweepje had. Voor Gaudi waren dat lange vastenperiodes.
Gaudi neemt het project over van Francesc de Paula Villar, die al met de crypte begonnen is.
In 1899 begon Gaudi met de bouw van de torens van de Geboortegevel. In dat jaar ook werd Josep Morgades bischop van Barcelona. Morgades had snel door wat vlees hij in de kuip had met zijn architect en zette druk op Gaudi om een globaal project voor de Tempel te maken, wat tot op dat moment nog niet bestond. De dood van de bischop in 1901 bevrijdde Gaudi van deze belofte. Zo komt het dat het voorlopig einde van de bouw vandaag vastgesteld is voor 2026. En dan is dat nog omdat de architecten die het werk van Gaudi verder zetten massaal voor beton hebben gekozen. Het boeteproces is dus ver van gedaan. Zullen wij, voor wij het einde zien van de Sagrada Familia, de droom van Joan Guell in vervulling zien gaan, en de slavernij terug zien komen…

barcelona4 Gaudi mislukte architect?

Van Parc Guell over l’Hospital Sant Pau naar de Sagrada Familia
De volgende dag gaan wij die wijk helemaal naar boven, tot aan het Parc Guell. Guell was die broodheer van Gaudi, die wij hebben ontmoet in het scheepsmuseum. Schatrijke reder, textielmagnaat en ook immobiliën. Beinvloed door het boek van Ebenezer Howard over tuinwijken, wilde Don Eusebi Güell wilde een geheel van chalets laten bouwen op een terrein dat gelegen was op het hogergelegen gedeelte van de Gráciawijk, een steenachtige plaats met een grote helling, waar bovendien weinig water was. Gaudi wou het terrein niet nivelleren omdat hij het bijzondere van de heuvel wilde behouden. Daarom bouwde hij bruggen en viaducten. En welke viaducten!
Het Parc Güell was opgezet als een verkaveling, een tuinwijk met 63 huizen. Er werden er slechts twee gebouwd. En dan nog: Güell verbleef af en toe in het oude Casa Larrad, terwijl Gaudi het huis kocht dat Berenguer als model ontwierp. Zij waren dus de enige bewoners van het 15 hectaren grote park. Na de dood van Gaudi en Guell dreigde het park dus te verdwijnen. In 1922 wordt het park stadseigendom. Die overname gaf aanleiding tot een tegencampagne. Honderd jaar later wordt het door de UNESCO als internationaal monument opgenomen.
Mislukte architect
Het Parc Guell is niet de enige mislukking van Gaudi. Men kan zich trouwens de vraag stellen hoe en waarom een stad zich identificeert met een mislukte architect. Want dat was Gaudi objectief. Al zijn projecten waren economische mislukkingen. Ik ga daar natuurlijk geen ramp van maken: ik ben tenslotte de eerste om te zeggen dat de markt geen gezonde basis is voor de economie…
In het hartje van de Marollen is het grootste scheldwoord dat je naar je hoofd kunt krijgen “schieve architekt”. Dat dateert uit de periode dat een zekere Poelaert de helft van die wijk liet platleggen om er het pompeuze justitiepaleis te bouwen. Geen haar op het hoofd van de toeristische dienst van Brussel denkt er natturlijk aan zijn toeristisch imago op te trekken aan die schieve architect. Barcelona dus wel.
Gaudi was een miskende architect. In de volksmond noemde men zijn Casa Batllò het knekelhuis. Zijn Casa Milà ( 92, Passeig de Gràcia) werd door de Barcelonezen la Perdrera gedoopt, anders gezegd de steengroeve. Zijn promotoren vonden het zo lelijk dat zij weigeren Gaudí volledig uit te betalen.
Dat is natuurlijk het verhaaltje dat men ons probeert op te hangen van elke artiest: tijdens zijn leven miskend; na zijn dood beroemd, Maar in het geval van Gaudi kunnen wij werkelijk spreken van een mislukte architect.
Let wel: mislukt op louter economisch vlak. Ik vind zijn bouwsels mooi. Grote kunstenaars als Picasso en Dalí walgden van de zoete vormen en oeverloze ornamenten van Gaudí. De Britse schrijver George Orwell vond het zelfs jammer dat de Spaanse anarchisten tijdens de burgeroorlog Gaudí’s Sagrada Familia in Barcelona niet verwoestten, zoals de vele andere kerken en kloosters. Hij vergeleek de torens van de kathedraal met ‘flessen Rijnwijn’.
Wij hebben het Casa Milà al vernoemd. Nu op de lijst van het wereldpatrimonium van de UNESCO. Maar Roser Segimon de Milà, die dit appartementsgebouw liet bouwen tussen 1905 en 1907, spande tegen zijn architect een proces aan. Milà verloor het proces, en Gaudi gaf het geld dat hij ermee won aan een klooster. Maar men kan moeilijk van een economisch succes spreken… En het wantrouwen van de heer Milà was terecht als men weet dat Gaudi boven op dat opbrengstgebouw een reuzemariabeeld wilde neerpoten, tussen zijn mooie schoorsteentjes. Niet iedereen woont graag in een soort kapel…
Trouwens, ook in het Parc Guell kan Gaudi het niet laten zijn religieuze opvattingen te laten zien, zij het iets discreter dan de Mariagroep van zijn casa-milo project. Aan de rand van de wegen in het Güellpark liggen grote stenen bollen. Wanneer men ze telt komt men tot 150, evenveel als er kralen zijn aan een rozenkrans. En helemaal bovenaan eindigt het park op een kalvarieberg. Maar deze religieuze tags waren natuurlijk niet de enige reden van de mislukking van het parkproject.
En dan zijn er de projekten van Gaudi die nooit van de grond zijn gekomen. Zo een hotel in New York. Zo het project van een kathedraal in Tanger. Wanneer men de schetsen van Gaudi voor die kathedraal bekijkt geeft men er zich rekenschap van hoeveel de Gaudistijl put uit de moorse kultuur.
Gaudi werkt ook aan een restauratie van de Kathedraal van Palma de Mallorca. Ook daar wordt hij na de eerste fase afgedankt. Daar waren niet alleen architectonische redenen voor. Boven de stoelen van de kannunikken wilde Gaudi een tekst zetten “zijn bloed kome over ons”. De kannunikken waren niet akkoord: het korte tekstje kon aanleiding geven tot ironische commentaren (wat natuurlijk van de kant van de kannuniken niet volledig uit de lucht gegrepen was). Zij wilden de volledige tekst. Gaudi antwoordde aan de kanunikken: “teksten op monumenten moeten altijd ingekort worden want het zijn slechts geheugensteuntjes voor ontwikkelde mensen. Het evangelie is als een apotheek; gij zijt zoals mensen die naar een apotheek gaan om er voedsel te kopen”.
Bij de dood van de bisschop Grau waren de kannuniken er natuurlijk als de kippen bij om Gaudi af te danken. Hij verloor terzelfdertijd het contract voor de restauratie van het bisschoppelijk paleis van Astorga. De twee werfleiders van Gaudi worden ook afgedankt: Een van hen schrijft naar Gaudi “ze zeggen dat ze de catalanen wegwillen, maar, vooraleer weg te gaan, heb ik hen gezegd dat zij niet bekwaam waren om het werk af te maken”.
En inderdaad, bij het afbreken van een muur, na hun vertrek, zijn verschillende gewelven ingestort. Gaudi was mischien een mislukte architect op economisch vlak, maar zeker geen ezel.
De Tempel van de Heilige Familie




Maar wij waren op weg van het Parc Guell naar de tempel van de Heilige Familie, via het Hospital Sant Pau van zijn rivaal Montaner. Ook voor die werf is Gaudi een ramp geweest voor de bouwheer. Voor de Sagrada Familia was de bouwheer van de Tempel niet de Kerk maar een religieuze vereniging van de devoten (kwezels, in een ietsje vrijere vertaling)van Sint Jozef (ik denk aan de bedevaarsters van sint Jozef die in maart naar Leuven afzakken). Die vereniging wilde een schooltje en een eenvoudige kerk. Gaudi zet hen werkelijk voor schut: zij krijgen het schooltje; maar ondertussen begint hij aan een gevel (die van de Natividad), goed wetend dat de fondsen ontoereikend waren om de boel af te werken. Een eeuw later is die kerk nog niet af…
Trouwens, aan de Sagrada Familia wordt al bijna honderd jaar gebouwd zonder vergunning. Gaudi diende in 1883 zijn ontwerp voor de kerk in en twee jaar later kwam hij met een enigszins gewijzigd voorstel. Twee keer kreeg hij een bouwvergunning. Op twee latere verzoeken om de bouwplannen te wijzigen, in 1916 en 1990, reageerden de autoriteiten echter nooit. Volgens de wet zou dit bouwsel moeten worden afgebroken… Hij rijft ook prompt een straat in zijn project in.
De huisarchitect van graaf Guell
Gaudi heeft kunnen doen wat hij wilde doen door zijn band met Eugeni Guell. Noem het vriendschap. Noem het een middeleeuwse meester-knecht verhouding. Of, vanuit een ander uitgangspunt, de bloedzuiger van Guell. De boekhouder van Guell zei: “ik vul de zakken van Guell en Gaudi haalt ze leeg”. Van Gaudi zelf heeft een leerling het volgende opgetekend (Gaudi heeft zelfs bijna geen plan op papier gezet, laat staan een boek): “een oosters spreekwoord zegt dat, om en mens te kennen, men hem moet verorberen met veel zout. Maar er is toch een middel dat toelaat hen directer en sneller te leren kennen, en dat is hun geld te verteren. De architecten geven het geld van anderen uit en hebben via die weg een zekere kennis van de psychologie van hun klanten”.
De relatie tussen Gaudi en Guell was waarschijnlijk een mengeling van dat allemaal. Een ding is zeker: vriendschap of niet, zonder Guell had Gaudi waarschijnlijk nooit veel meer achtergelaten als een paar maketten met draden en loodjes…
Gaudi is de huisarchitect geweest van Guell. Deze katoenbaron heeft heel zijn leven gewerkt om een adelijke titel binnen te rijven, waarin hij trouwens gelukt is. Wij hebben het dus over "graaf" Guell.
In het kader van de uitbouw van zijn sociale status heeft Guell ook een aantal bouwprojekten laten realiseren die als een geheel moeten gezien worden. Gaudi heeft voor Guell een Palau gezet in de oude stad; een buitenverblijf (de Finca Guell); een Colonia Guell als model van maatschappelijke orde; een Parc Guell, en tenslotte de Sagrada Familia.
Een kijkwoning, het Palau: de naam alleen al is een programma
Het Palau is het eerste groot niet religieus project geweest van Gaudi. De naam Palau - paleis is reeds een programma, evenals zijn inplanting. Het is gelegen in de oude stad, in een nogal donkere straat. Maar dat had geen belang: Guell wilde zijn paleis daar waar de oude adel ook aanwezig was. Het moest niet alleen een herenhuis zijn; het moest de rijkdom van Guell uitstralen tot in de kleinste details. Het bouwsel is trouwens niet gemaakt om in te wonen, maar om volk te ontvangen (en de ogen uit hun kassen te laten rollen): het is opgebouwd rond een centrale ruimte, waar hoge gasten ontvangen konden worden. In de kelder zijn stallen die nooit een paard gezien hebben; een beetje zoals sommige privézwembaden die enkel dienen als decor voor een bar… Guell steekt wel zijn afkomst niet weg. Boven de poort van de Palau Guell tekent Gaudi het wapenschild van graaf Guell met zijn fameuze kettingboog en de tekst “gisteren schaapherder, vandaag heer”.
Dit paleis staat, zoals alle andere werken van Gaudi in Barcelona, op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Tot en met januari 2009 is Palau Güell niet te bezichtigen door een renovatie. De vorige restauratie dateert nochtans enkel van 1982-2002 Volgens Wikipedia gebruikte men bij de bouw zwakke stenen, daarom zou er kans zijn op instorting. Als de stenen niet fameus waren, dan is het zeker niet omdat Gaudi goedkoop moest werken: alles moest weelde en geld uitstralen.
De Finca Guell om te wonen
Geen haar op het hoofd van Eusebi Güell heeft er ooit aan gedacht om in zijn kijkwoning te gaan wonen. Hij liet in dezelfde periode een landgoed (Finca) bouwen buiten Barcelona, inmiddels is het landgoed opgeslokt door de stad. De achitectuur van Gaudi is functioneel: de toegangspoort ademt ontoegankelijkheid uit. Aan de straatzijde bevatten de gebouwen amper raampartijen en het smeedijzeren hek is vormgegeven als een vliegende draak. Die draak is trouwens het enige wat de toerist kan bekijken. Voor wie een korte trip naar Barca doet de omweg dus niet waard…
Parque Guell
Gaudi heeft voor ieder van zijn gebouwen die werelderfgoed geworden zijn de zaak eerst eens uitgeprobeerd. Een honderd kilometer meer naar het noorden had onze Graaf Güell een kolenmijn in de Sierra del Catllarás. Deze kolen dienden als brandstof voor zijn cementfabriek in La Pobla de Lillet. Antoni Gaudí kreeg als opdracht een onderkomen te bouwen voor de mijningenieurs. Deze tuinwijk vertoont opvallende overeenkomsten met de Parque Güell. En toch heeft deze tuin niet lang standgehouden en dreigde in de vergetelheid te geraken, zelfs lang nadat in Barcelona de bouwwerken van Gaudí de toeristenattractie van die stad waren geworden. Vijftig jaar lang, van 1940 tot aan 1990 lag de tuin te verkommeren, zo erg dat hij op het laatst in gebruik was als vuilstortplaats voor de dorpelingen en weinigen zich maar konden herinneren dat hier ooit een prachtige tuin lag. Nu heeft de gemeente van La Pobla de Lillet hem in zijn oude glorie hersteld. In 1997 de tuin werd opengesteld voor het publiek.
De Colonia Guell: het corporatisme in steen gegoten
In Wallonië zou men spreken over “phalanstère”: een aantal arbeiderswoningen gebouwd rond een fabriek. Maar een kolonie is eigenlijk – op sociaal vlak dan – een struk straffer. Eigenlijk is die kolonie vooral het werk van Berenguer. Deze jeugdvriend van Gaudí volgde met hem de lessen aan de 'school voor kunsten en architectuur'. Hij huwde in 1887 en werd gedwongen zijn studies stop te zetten om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien. Tussen 1887 en 1892 werkte hij voor Gaudí. Als Gaudí's assistent was hij vooral verantwoordelijk voor praktische zaken zoals de boekhouding, technische berekeningen en de omgang met de arbeiders. Hij was ook de beste tekenaar op Gaudí's kantoor en maakte dan ook de meeste voorbereidende tekeningen. Berenguer werkte aan de meeste van Gaudí's projecten mee.
Gaudi was zeker een gedreven man, maar hij heeft heel zijn leven een aantal figuren rond zich gehad. Een andere van zijn assistenten was Josep Maria Jujol i Gibert (1879-1949). De slingerbank en de Drakenfontein in Parc Güell zijn bijvoorbeeld voor het grootste deel van zijn hand. Veel van de mozaïekwerken die in Gaudi's ontwerpen terug te vinden zijn, werden door Jujol gemaakt. Jammer voor hem worden veel van zijn creaties onterecht aanzien als Gaudi's werk.
Ik zou hier trouwens, vooraleer mijn pijlen te richten op de sociale doctrine achter de noucentisten, willen aantonen hoe de schoonheid van Gaudi’s werk ook gebouwd is op een hechte samenwerking met zijn arbeiders, aan wie hij en grote autonomie gaf. “De architect moet kunnen gebruik maken van wat de arbeiders kunnen doen en weten te doen. Hij moet de specifieke kwaliteiten van iedereen weten te gebruiken. Hij moet al de inspanningen integreren en samenbrengen en steun geven wanneer fouten begaan worden. Zo werken de arbeiders met plezier en met de zelfzekerheid die voortkomt uit een volledig vertrouwen in de organisator”.
Gaudi heeft in de Colonia Guell een krypte gebouwd. In feite had Guell een kerk besteld… Die krypte is zowat een generale repetitie geweest voor de Sagrada Familia.
Maar deze Colonia Guell is eigenlijk ook interessant om de sociale doctrine van die klasse die het Catalaans nationalisme heeft gelanceerd duidelijk te maken. Deze kolonie is opgebouwd rond een fluweelfabriek van Guell, op twintig minuten per trein van de stad, in Santa Coloma de Cervello. Deze fabriek werkte met stoomaandrijving, en was dus veel groter dan de fabriekjes die werkten met de waterkracht. Maar deze arbeidersconcentratie was dan ook veel kwetsbaarder voor sociale onrust. De naam “kolonie” is werkelijk een programma: de arbeiders moesten opgevangen worden in een dorp dat zoveel mogelijk geïsoleerd was van de verdorven buitenwereld. Deze kolonie had alles opdat de inwoners niet naar buiten zouden zoeken: een spaarbank, een muziekbond, een cooperatieve, een atheneum, twee fanfares… In 1917 geeft de Kolonie Guell zelf een propagandabrochure uit waarin ze uitlegt hoe ze werkt. Het theatergezelschap bijv. “heeft als doel het volk te vermaken op de feestdagen, door s’avonds stukken te brengen en zo in de mate van het mogelijke te vermijden dat de families de kolonie verlaten. De jongeren hebben op twee jaar tijd zegeltjes gekocht voor een waarde van 5000 pesetas, die op de spaarkas is gezet in plaats van verspild te worden aan speelgoed of snoep, of, erger nog, in de cinema’s van de omliggende dorpen. In de Guell kolonie is er altijd verbroedering tussen kapitaal en arbeid. Alle Catalanen mogen zeker zijn dat, ondanks de satanische inspanningen geleverd door valse redders van de arbeidersklasse, de naastenliefde de erfenis blijft met de grootste waarde in Catalonië ”. Laguarda, bisschop van Barcelona, vraagt aan E. Guell om rond de kolonie een zeer hoge en dikke muur te bouwen opdat de socialistische doctrines er nooit zouden kunnen binnendringen”.

barcelona2 Museu maritim

Het schitterende Museu maritim is ingericht in de Drassanes Reials, de enorme scheepswerven van Barcelona die in de periode 13e-18e eeuw zijn gebouwd. Het pronkstuk van dit museum is de levensgrote replica van de Galera Real.
De scheepswerven van Barcelona waren gespecialiseerd in galeien. Dergelijke met roeispanen aangedreven boten hebben eeuwen lang een sleutelrol gespeeld in de militaire strategie. Om te beginnen bij de Romeinen. Waarom is Hannibal met zijn olifanten de Alpen moeten overtrekken? Omdat de Romeinse galeien hem de kortste weg – over zee- verboden.
Ik had het over het altaar van de Christus van Lepante in la Seu. De paus, de italiaanse staten, Malta en Spanje brachten in 1571 voor Lepante 207 galeien samen. In de tijd van die slag bij Lepante kwamen de kanonnen op. Het probleem was om met die kanonnen tussen de roeiers door te schieten. En van de andere kant waren de roeiers ook heel kwetsbaar door vijandelijk vuur. In Lepante heeft de “christen” coalitie de Turken verrast door die kanonnen op een soort platform te zetten dat door galeien op zijn plaats werd getrokken. Vijftig Turkse galeien zonken en 117 op 208 veroverd. Miguel de Cervantes verloor in dit gevecht zijn linkerhand. «Voor de glorie van mijn rechter! » zei hij.
Die overwinning is de spaanse koning Filips II naar het hoofd gestegen. In 1588 stuurde hij een enorme vloot, de Armada genaamd, voor een andere kruistocht – met kerkelijke goedkeuring: Paus Pius V had Elisabeth van Engeland geexcommuniceerd- naar Engeland. In de Armada waren ook verschillende galeien. Maar dit keer was er geen Christus van Lepante. Drake en zijn kapiteins gebruikten het kanon op een nieuwe manier, en schoten de Spaanse schepen aan flarden.
Deze nederlaag betekende echter nog niet het einde van de galeien. In 1662 nog richtte Lodewijk XIV zijn Galeienkorps op, met 40 galeien et 12.000 roeiers; dit heeft bestaan tot in 1748.
Dit alles om het pronkstuk van dit muzeum, die koninklijke galei, wat in de verf te zetten. Maar voor de rest is het ook een museum met de meest moderne presentatietechnieken, en – niet te verwaarlozen, een prachtig cafetaria met een terrasje. En, zoals wij zeiden, Gaudi is nooit ver weg. Wij komen in dit muzeum ook de graaf Guëll tegen; deze broodheer van Gaudi was o.a. ook een groot reder.
Een prachtige uitvalsbasis naar het zeefront. Een uitlopertje van de Olympische spelen van 1992. Wie (van ver) rich piepel wil bespionneren komt daar aan zijn trekken: een kaai is practisch hermetisch afgesloten met dranghekken voor al te nieuwgierige toeristen. Een elegant staketsel Rambla del Mar (het middenstuk kan opendraaien om schepen te laten passeren).
Aan het einde van de Moll d'Espanya staat El Cap de Barcelona (het hoofd van Barcelona), een kleurrijk zuilvormig 20m hoog beeld van de Amerikaanse popart-kunstenaar Roy Lichtenstein.
Maar aan de rambla del mar houden we het voor gezien. Wij zakken stilletjes af naar ons hotelletje. Daar raden ze ons aan een restaurantje op te zoeken in de wijk Gracia, juist achter het hotel. En, inderdaad, een aanrader. Het dorp Gracia is rond 1900 opgeslorpt door de stad, maar heeft nog al zijn nauwe straatjes, dorpspleintjes en zelfs een prachtig overdekt marktje behouden. De wagens moeten natuurlijk ook door die straatjes, wat het wandelen niet altijd aangenaam maakt. Maar dat is de prijs die moet betaald worden om die wijk te ontdekken. Op een van die pleintjes komen wij in een tapasbar terecht die ons zeer aanstond. De volgende dag winden wij die bar terug in onze Trotter… Een snaren van de Trotter en wij in perfecte harmonie….