Affichage des articles dont le libellé est Galet. Afficher tous les articles
Affichage des articles dont le libellé est Galet. Afficher tous les articles

lundi 2 octobre 2017

Een microgeschiedenis van een grootvader Jean-Baptist Heinig “met een beetje Duitse naam”.



Jan is de hoeder van de familiegeschiedenis Hertogen. Zo probeerde hij uit te spitten waarom zijn moeder en tante zo vaag bleven over hun vader Jean-Baptist Heinig “met een beetje Duitse naam”. 
Dit was voor mij de aanleiding om een stukje microgeschiedenis te schrijven. Achter die vaagheid zit de vervolging van mensen van Duitse afkomst tijdens en na de eerste wereldoorlog. En de achterdocht tegenover de soldaten van de vesting Antwerpen die geïnterneerd werden in Nederland…
Ik heb de blogs van Jan letterlijk geplunderd, zonder verdere bronvermelding. Mijn eigen inbreng beperkt zich tot die vervolging en het uitzoeken hoe Jean-Baptist in een interneringskamp in Nederland terecht is gekomen terwijl zijn eerste divisie aan de Ijzer terechtkwam.

Godefroid Guillaume Heinig of Gottfried Wilhem Heinig

De overgrootvader van mijn Paulatje en grootvader van mijn schoonmoeder Hortense Heinig was Godefroid Guillaume Heinig, geboren op 5-3-1851 in Kothen, Anhalt-Saksen; een duitse horlogemaker die in 1879 naar Brussel is verhuisd. Jan liet zich fotograferen  in Lachsfang 2, Köthen, 3de huisje links.
In juli 1879 trouwt Gottfried Wilhelm met Aerts Antoine-Joséphine. Door haar huwelijk met een Duitser werd ook Antoinette Aerts van Duitse nationaliteit, evenals de vier kinderen.  Jean-Baptist, grootvader van Paula, is hun vierde kind. Elf maanden na zijn geboorte is zijn moeder overleden. Zij was pas 32 jaar.
Godefroid  Guillaume hertrouwt. Hij heeft weinig of geen contacten met de vier kinderen van zijn eerste huwelijk; twee van zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk verscheepte hij zelfs naar Amerika.
Hij  is tot z’n dood in 1918 opgevolgd door de staatsveiligheid. Jan is op het Rijksarchief zijn dossier gaan inkijken en fotoscannen.  Op een proces verbaal van 28/12/1889  wordt als beroep van onze ‘étranger poursuivi’ opgegeven: Horlogier – Cabaretier. Het betreft een “poursuite” van een maand omwille van “complicité d’adultère”, “medeplichtigheid aan overspel”.
En wij vinden op 12/04/1914 op zijn bewijs van voorlopig verblijf van vreemdeling zijn zoon van +16 jaar Jean-Baptist Heinig en z’n echtgenote Caroline Steens terug, die twee kinderen hebben geboren in 1912 en 1914. Vermeld wordt dat Jean Baptist ‘sous les drapeaux’ is.
Een Bulletin de poursuites van 04/04/1916 vermeldt “Menaces par gestes et injurés à Laken le 20/03/1916 ». Maar “il n’est pas mis en prévention”.
Godefroid-Guillaume Heinig overlijdt op 08/02/1918 in Laken, alleen. Het overlijden wordt aangegeven door Albert Beerden, mecanicien en  Gaston Van Nieuwenhuyse, slotenmaker.
Van hem slechts een foto. Op zichzelf wil dat natuurlijk niets zeggen. Ik ken van mijn grootvader Sjaantje ook maar één foto, met onderaan het biljetje van de loting waardoor hij niet naar het leger moest. En van mijn grootvader een vaders kant heb ik helemaal niets. Maar ik hoorde wel een en ander vertellen. Over Gottfried Wilhelm daarentegen is er helemaal niets: een echte blinde vlek in de familiegeschiedenis. Een blinde vlek die tegelijk een micro-geschiedenis is die tekenend is voor heel de periode van de eerste wereldoorlog. Met onder andere een haat tegen ‘den Duits’ die wij ons moeilijk kunnen voorstellen. Of toch? Tegen andere nationaliteiten of geloofsovertuigingen?

De vervolging van mensen met Duitse afkomst

Het toeval wilde dat Paula en ik Monika Triest hebben ontmoet, die een paar boeken heeft gepubliceerd over de vervolging van mensen van Duitse afkomst, bij hetuitbreken van en na de eerste wereldoorlog, waarbij zelfs systematisch de Belgische nationaliteit werd afgenomen van mensen met een dubbele nationaliteit, en zelfs van die mensen van het Gotha zoals de Arenbergs die vonden dat zij boven die nationaliteiten stonden. Ook Frank Caestecker van de UGent deed pionierswerk met zijn studie “ Wie was nu de vijand ? De constructie van de "Duitser" bij het aflijnen van ongewenste vreemdelingen”. Het heeft bijna 100 jaar geduurd voordat een eerste historische studie verscheen over dit weinig fraai hoofdstuk in onze geschiedenis. En in de eindeloze herdenkingen van de W.O. I kwam dit thema nog geen enkele keer aan bod.
De twee auteurs baseren hun studie op archieven die tot voor kort ontoegankelijk waren.
In dat kader wordt in april 1914 Gottfried Wilhem Heinig opgeroepen door de gemeente Laken om hem een voorlopige verblijfsvergunning te geven, samen met z’n zoon Jean Baptist en z’n kinderen, geboren in 1912 en 1914 (zo staat het er, ook al was Hortense toen nog niet geboren). Uit het onderzoek van Caesstecker blijkt dat begin augustus ook de kinderen van de Duitse staatsburgers, ook al waren ze Belg geworden, naar Nederland werden gevoerd en geïnterneerd, maar dat is met Gottfried- Guillaume blijkbaar niet het geval geweest. En zijn zoon was onder de wapens, Belgische wapens!
“In december 1917 decreteerde de gouverneur-generaal in België dat iedereen van Duitse afkomst zich moesten melden bij het Pasbureau in hun gemeente in de vier weken na 13 januari 1918. Al deze mensen van Duitse oorsprong moesten hun verplaatsingen melden bij de Duitse overheid.” (Bekantmachung Generalgouverneur in Belgien, 13 december 1917, Gezests-und Verordnungsblatt für Flandern, nr. 2, 5 january 1918, in Frank Caestecker en Antoon Vrints, The National Mobolization of German Immigrants and their Descendants in Belgium, 1870-1920, Chapter 6, blz 138).
Guillaume Heinig overleed op 8 februari 1918. Daardoor ontsnapte hij dus aan dat decreet, waarvan ik trouwens de bedoeling niet ken.
Zijn overlijdensakte werd niet ondertekend door zijn dochter Marguerite of door zijn schoondochter Caroline Steens, de vrouw van  Jean Baptist, die een paar straten verder woonde. Is dat om te voorkomen dat Jean-Baptist, Caroline en hun kinderen naar Duitsland zouden worden uitgewezen, of voorwerp zouden worden van de manifeste anti-Duitse gevoelens die zich ook richtten naar wie loyaal als Belg al decennia in België woonde? Maar waarom moest dit stilzwijgen generatielang bewaard blijven? Was zijn dochter Marguerite aanwezig bij z’n overlijden, was er wel iemand op zijn begrafenis, hebben Bonneke en Tante Paula dit overlijden op een of andere manier geweten, het was ten slotte hun grootvader. Of is Guillaume Heinig ‘stilletjes’ verdwenen op zijn 67 jaar, ook om z’n kinderen en kleinkinderen niet te compromitteren en ze op die manier te beschermen, door zichzelf uit wissen. Heeft hij zijn kleinkinderen nog gezien na 4 augustus 1914, de inval van de Duitsers, en daarvoor? En dat terwijl zijn zoon Jean-Baptist al 4 jaar krijgsgevangen was in Alten Grabow, op 70 km van z’n geboorteplaats Köthen. Wanneer is het teveel voor iemand? Mag hem geen eer bewezen, misschien op 8 februari 2018, in Café Maes, tien meter om de hoek waar hij 100 jaar geleden overleden is, met een sobere koffietafel, 100 jaar na datum?

Antwerpen en de maatregelen tegen de ‘Duitse’ inwoners van België en hun nageslacht

In 1918 woonden in Antwerpen vele Duitse families. Ze waren met ongeveer 20.000 op 300.000 inwoners in 1910. Ze waren bijzonder goed geïntegreerd en bekend om hun gul mecenaat. Maar toen op 4 augustus 1914 oorlog uitbrak kwam er twee dagen later een dwangbevel van de provinciale krijgsgouverneur Dufour en van de Antwerpse burgemeester Jan De Vos : “Alle Duitsers en Oostenrijkers moeten vandaag voor 24 u de stad verlaten hebben”(p.14). Op 9 augustus werd ermee gedreigd dat ze als spionnen gedood zouden worden. De meesten namen de vlucht en lieten alles achter: woning, bedrijf, bank, kapitaal, buitenverblijf, …
Na het einde van de oorlog werden de maatregelen tegen de ‘Duitse’ inwoners van België en hun nageslacht nog strenger. Het ging dan in feite om een ‘etnische zuivering’ van ‘inferior Belgians’. Zoals na WO2 massaal gebeurde met 12 miljoen Duitsers in andere landen, ook wie er al eeuwen woonde, werden Duitsers en hun nakomelingen ook in België verzameld (Adinkerke) en eerst naar Nederland gedeporteerd in treinen vooraleer naar Duitsland teruggevoerd te worden. Ook Belg geworden Duitsers, en zelfs Duitse nakomelingen die Belgische legerdienst gedaan hadden, kwamen voor deportatie en ontheming in aanmerking. De meesten werden vanaf 1921 onteigend. Dit werd goedgekeurd in het Belgisch parlement, met ruime meerderheid. En tegen het principe “Nulla poena sine lege”, want er was geen enkele wet die zei dat bezittingen aangeslagen mochten worden, enkel omdat de eigenaars van Duitse afkomst waren. De Zuidpoolexpeditie van Adrien de Gerlache was gesponsord geweest door de familie Osterrieth; verder de dierentuin, het Nottebohmziekenhuis en de prachtige Nottebohmzaal in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Dezelfde familie had ook de Brabofontein op de Grote Markt betaald. Léonie Osterrieth had de bijnaam “Koningin van de liefdadigheid”. De Duitse families richtten ook allerlei clubs en verenigingen op zoals Beerschot (voetbal), zeescouts, de Antwerp Golf club. Ze organiseerden in 1913 de wereldtentoonstelling en de Olympische Spelen, die pas in 1920 plaats vonden. De directeurs van de Red Star Line waren Duitsers.

Jean-Baptist Heinig en de Groote Oorlog

Jean-Baptist Heinig werd zoals vermeld als Duitse staatsburger geboren in 1884  in de Antwerpse Steenweg 208 in Laken. In 1903 veranderde de wet op de nationaliteitsverwerving en de oudste zoon kon bij eenvoudige verklaring Belg worden (zoiets als de ‘snel-belg’ wet in 2000). Zo verwierf Jean-Baptist in dat jaar de Belgische nationaliteit.
Jean Baptist Heinig en Caroline Steens trouwen in 1911. In 1912 werd tante Paula geboren en in 1914 Hortense.
Op 1 augustus 1914 wordt Jean-Baptist opgeroepen voor het linieleger. We weten alleen dat hij deel uitmaakt van de eerste divisie: het is moeilijk uit te maken, op basis van dit magere gegeven, in welke gevechten hij is betrokken geweest. Ik probeer toch het lot van de eerste divisie te volgen tussen augustus en september.
Die eerste divisie trekt zoals het hele linieleger terug op de vesting ‘Antwerpen’. Na de slag bij de Marne dreigt het Belgische Leger in Antwerpen geïsoleerd achter te blijven. Koning Albert I trekt met het veldleger langs de kust naar de Ijzer, gedekt door de vestingtroepen die na de capitulatie met 32.000 de grens oversteken naar Nederland waar ze als vluchtelingen geïnterneerd worden. Jean-Baptist zat in de linietroepen en had dus mee moeten trekken naar de Ijzer. Hoe kwam hij dan in Nederland terecht met de vestingtroepen die na de oorlog als halve deserteurs worden beschouwd? Dit is geen verwijt: Wanneer de rijken oorlog voeren, sneuvelen de armen, en als je daaruit weg kunt geraken, doe het dan. Uiteindelijk heeft hij daar een geluk bij een ongeluk gehad. Hij is niet aan de Ijzer terechtgekomen, is in Nederland geïnterneerd met de vestingstroepen. Hij is daar uit dat interneringskamp kunnen ontsnappen. Dat liedje heeft wel niet lang geduurd: hij is na drie maand opgepakt en in Duitsland krijgsgevangen gezet. Maar daardoor heeft hij geen problemen gehad om zijn oorlogsjaren te laten erkennen. Een magere troost?

Jean-Baptist Heinig en de Getelinie

Jean-Baptist Heinig kwam zoals gezegd in de 1ste Divisie terecht die de Getelinie moest verdedigen.
Bij gebrek aan details over de veldtocht van Jean-Baptist kunnen wij zijn divisie volgen op haar tocht naar de Schelde. Het laatste Luikse fort valt op 16 augustus. Von Kluck begint aan zijn grote zwaai dwars door Midden-België. Het von Schlieffenplan had geen aanval voorzien op de vesting Antwerpen. En Albert was ook niet happig op een veldslag. Hij had op 14 augustus aan zijn vertrouweling Emile Galet gevraagd een nota te maken voor de regering: «We beschikken in het totaal over 90.000 militairen die in staat zijn om te vechten of beter om zich te verdedigen. De troepen zijn niet bekwaam om te marcheren. Na tien kilometer kunnen de soldaten niet meer. Alle oudere leeftijdsklassen die terug opgeroepen zijn, klagen over pijn aan de voeten. Besluit  : het is onmogelijk om offensieve marsen te ondernemen en dus ook om aan te vallen.  Een mobilisatie van vijftien militieklassen had moeten voorbereid zijn door vijftien jaar van onafgebroken inspanningen. Maar gedurende veertien jaar is de inspanning zero geweest. Overigens, zelfs al hadden we troepen van de kwaliteit van de Fransen of de Duitsers, dan nog zouden we niet tot het offensief kunnen overgaan zonder een onvermijdelijke nederlaag op te lopen. De strijdkrachten waar wij tegenover staan, zijn ongelofelijk superieur aan de onze. Wij staan er alleen voor  : niet alleen zijn de Fransen en de Engelsen hier nog niet verschenen, maar ze zijn zelfs nog niet in Luxemburg of in de provincie Namen. Onze grote bekommernis moet zijn ons nooit te laten afsnijden van Antwerpen, waar zich de levensmiddelen en de munitievoorraad van het leger bevinden. Anderzijds vereist de eventuele verdediging van Antwerpen de aanwezigheid van vijf divisies van het veldleger  ; als die vernietigd worden, zal Antwerpen een hevige aanval niet kunnen weerstaan.  Onze grote overwinning tot nu toe bestaat er in tijd gewonnen te hebben.  » (Marie-Rose Thielemans en Emile Vandewoude, Le Roi Albert au travers ses lettres inédites, 1882-1916, Brussel, 1982, pp. 515-517).
De Getelinie lag te dicht bij de noordflank van de Duitse opmars. In Tienen ligt de eerste legerdivisie van generaal Baix (ca. 15.600 manschappen, waaronder dus Jean-Baptist Heinig, waarschijnlijk ook met pijn aan zijn voeten). De kleine stellingen van de Belgen in de Getevallei tussen Tienen en Diest waren totaal niet opgewassen tegen de overweldigende Duitse troepenmacht. De troepen die de terugtocht moesten afdekken (3de en 22ste Linie) leden bij Grimde en Sint-Margriet-Houtem zware verliezen. De namenlijst van het In Flanders Fields Museum vermeldt voor het ganse Belgische leger die dag 556 doden. In Aarschot moest de burgerbevolking het zwaar bekopen.

De slag om Antwerpen

De 1ste Legerdivisie en de overige 90.000 man van het veldleger komen aan in Antwerpen waar 60.000 man vestingtroepen klaar staan om de vesting Antwerpen te verdedigen. Op 24 augustus hebben wij de Slag aan de Grenzen (Mons en de Samber). Het Belgische leger doet een eerste uitval
om de Duitse slagkracht rond Charleroi en Bergen te verminderen. In de nacht van 25 op 26 augustus 1914 brandt Leuven.
Op 5 september begint de cruciale slag aan de Marne. Koning Albert beveelt een tweede ‘sortie’ uit Antwerpen (9-13 september). De verliezen bedroegen dit keer 8.000 man, het dubbele van de eerste uitval. Na de Duitse nederlaag bij de Marne begint de "Koers naar de zee". Het Belgische Leger dreigt in Antwerpen geïsoleerd achter te blijven. Koning Albert I beslist Antwerpen te verlaten en met het veldleger langs de kust naar het Zuiden te trekken.
Op 27 september startte het Duitse offensief tegen de Antwerpse vesting. Op 30 september wordt het fort van Sint-Katelijne-Waver en Walem opgegeven. Op 1 oktober moet de eerste en tweede Divisie tegenaanvallen uitvoeren. S’avonds besluit Albert I de weerstand achter de Nete te organiseren. De 1e divisie verdedigt de lijn van Rumst tot aan de spoorwegbrug van Duffel.
Op 3 oktober komt Winston Churchill, de Britse minister van de Marine, met 9.000 mariniers om de Belgen bij te staan. Maar desondanks besliste het Belgische opperbevel op 6 oktober het uitgeputte Belgische leger naar de Linkeroever over te brengen. Op 6 oktober houden de 1e en 3e divisies nog de forten tussen de Nete en de Schelde, maar worden op hun linkerflank bedreigd. Op 7 oktober is het linieleger op de linkeroever, behalve de Tweede divisie en de Britten. Die dag dreigt generaal von Beseler met beschieting van de stad. Op 8 op 9 oktober steken ook de Britten en de Tweede Legerdivisie de Schelde over. De vlotbruggen van het Steen en Burcht worden vernietigd. Het stadsbestuur stelt de capitulatie van de vesting voor. De burgemeester van Antwerpen, Jan De Vos, sluit een overeenkomst met de Duitsers. Een eigenaardige procedure voor de nationale vesting Antwerpen… De Vos bleef aan als burgemeester en werd na de oorlog niet aangeklaagd voor collaboratie. Hij bleef burgemeester tot 1921. De laatste twintig nog intacte forten gaven zich over. Het ‘oninneembare’ bolwerk was na twee weken beleg gevallen.
Volgens het zakboekje is Jean-Baptist van 01/08/1914 tot 15/10/1914 aan het front actief geweest, dus tot vijf dagen na de officiële overgave op 10 oktober. Zijn jongste dochter (Hortense) was toen 3 maanden oud, Tante Paula nog geen 2 jaar.

Geïnterneerd in Nederland

Daarna is hij met 32.000 andere soldaten naar Nederland gegaan waar de Belgische militairen geïnterneerd werden. Volgens de Vredesconferentie van Den Haag van 1907 moest Nederland als neutraal land alle militairen die naar het land vluchtten ontwapenen en interneren.
Op de betalingsfiche van het leger staat vermeldt dat Jean-Baptist geïnterneerd werd in Nederland van september 1914 tot mei 1915. Een kleine tegenspraak met zijn militair zakboekje dat zegt dat hij tot 15 oktober aan het front actief is geweest. In mei 1915 ontvlucht Jean-Baptist het interneringskamp. Misschien moest hij door de Dodendraad https://nl.wikipedia.org/wiki/De_Draad de 332 kilometer lange Grenzhochspannungshindernis langs de grens tussen het bezette België en het neutrale Nederland aangelegd tussen april en augustus 1915. Hij kan drie maanden bij zijn gezin zijn,
tot hij in september 1915 wordt  opgepakt op de tram en door de Duitse bezetter naar Alten Grabow gevoerd waar hij tot november 1918 krijgsgevangene is. Alten Grabow is een oud legerkamp dat in 1914 werd omgevormd tot een krijgsgevangenkamp.
In mei 1915 is Jean-Baptist Heinig dus ontvlucht (évadée et rentrée en Belgique zo staat in z'n officieel dossier). Die periode in Brussel is later door de militaire overheden als 'congé' beschouwd maar Jean-Baptist heeft daar ‘dus’ geen soldij voor ontvangen. In zijn aanvraagdossier heeft Jean-Baptist niet over z'n verblijf in Brussel gesproken, enkel dat hij op 10 oktober 1914 krijgsgevangen genomen is en naar Alten Grabow gevoerd. Dat heeft dus niet 'gepakt' maar zijn tussenstop in Brussel is hem evenwel na de oorlog niet kwalijk genomen.
De oorlog eindigt op 11/11/1918. Hij kan echter pas op 19/02/1919 naar Brussel terugkeren. Hortense is dan 4 jaar en 10 maanden, tante Paula 6 jaar en 2 maanden. De repatriëring van de krijgsgevangenen van Altengrabow, Giessen, Münster, Sennelager, Soltau, Hamelen, Friedrichsfeld en Göttingen begint in januari 1919. Pas de bol voor J-B: de repatriëring is per anciënniteit: wie het langst in het kamp verbleef, kan eerst naar huis. Aangezien hij pas in 1915 werd opgepakt, is hij bij de laatste. Spoormannen krijgen voorrang maar hij zal pas na de oorlog bij de ijzerenweg beginnen.
Jean-Baptist komt in Brussel met ondermeer 2 poppen met de naam 'Germaine', voor z'n dochters. Tante Paula fier haar pop tonen, Germaine was haar naam, want ze kon toen al lezen, toen was het voor Tante Paula nog niet duidelijk dat het in feite Germany was dat er in genaaid was Zijn tweede dochter Hortense zei: ‘Gij zijt mijn poepa niet, die zit in Duitsland’.
Jean Baptist is teruggekomen als  een heel gesloten man, vol goedwil, die in gezelschap altijd als een sfinks in volle beslotenheid aanwezig was.  Is toen, vooruitziend op de uitwijzing van Duitsers en Duitse nakomelingen, door de familie Heinig/Steens beslist om de Duitse afstamming te verzwijgen? Is dat de eerste boodschap die Jean Baptist ontvangen heeft bij zijn terugkeer uit Duitsland na 5 jaar gevangenschap. Is dat zijn groot verdriet geweest?

Het Belgenkamp in Harderwijk en een Belgisch Ereveld

Ik wil nog even terugkomen op het Belgenkamp in Harderwijk met zijn 15.000 geïnterneerde militairen (ongeveer de helft van de geïnterneerden). Wij waren in de zomer 2017 een weekend in Putten, op een boogscheut daarvan. Geen bedevaart, maar het toeval van een Groupon-bon. Ik maakte ook in 2014 een blog nav de vluchtelingencrisis in 1914: “Les 32.000 militaires belges internés des troupes des forteresses.
Harderwijk hield in 2009 een tentoonstelling over het Belgenkamp onder de titel "Achter den Pinnekesdraat". Op de Gemeentelijke Begraafplaats ligt een Belgisch Ereveld, dat op 28 september 1963 officieel werd geopend door de Belgische ambassadeur. Hier liggen 349 Belgische soldaten begraven. Ze zijn niet allemaal in Harderwijk gestorven. Aan het einde van de oorlog lagen er slechts 36 Belgische militairen, die tijdens hun internering waren overleden en niet gerepatrieerd waren. Het merendeel is overleden ten gevolge van de Spaanse griepepidemie van 1918. Daar liggen ook de dodelijke slachtoffers van de opstand in het Kamp van Zeist op 3 december 1914. Ze kwamen in opstand tegen de slechte leefomstandigheden in dat kamp en de buitensporige prijzen van tabak en alcohol. De opstand werd met geweld door de Nederlanders neergeslagen. Daarbij werden acht Belgen gedood en 18 zwaargewond.
Hier ligt tevens het zesjarige Nederlands meisje Woutje van de Velde in een bijzonder graf gemaakt van een afgezaagde boomstam. Zij was het slachtoffer van een door een Belgische korporaal op 13 januari 1917 gepleegd zedenmisdrijf. Voor de moord werd deze man eerst veroordeeld tot 15 jaar tuchthuis, maar in hoger beroep ontoerekeningsvatbaar verklaard en vrijgesproken.
Wel werd hij op last van de krijgsraad in een krankzinnigengesticht geplaatst.
Als geïnterneerden beloofden niet te ontsnappen, mochten ze tegen betaling gaan werken. 46,2% vonden zo werk  Daar heeft  Jean-Baptist misschien van geprofiteerd. Let wel: hij had zich ook anders kunnen organiseren en zijn vrouw en kinderen laten overkomen. oor de families van de gevangenen werden drie «kolonies” gebouwd, Albertsdorp, Elisabethdorp et Nieuwdorp.
Om werk te verschaffen stelde het 'Centraal Beheer der Werkscholen voor Belgische geïnterneerde Soldaten' eind 1916 aan het gemeentebestuur van Amersfoort voor een gedenkteken op te richten. Het ontwerp was van de Belgische architect Huib Hoste uit Brugge die tijdens de oorlog in Nederland
verbleef. In het voorjaar van 1917 werd met de bouw begonnen en ten tijde van de wapenstilstand op 11 november 1918 was het vrijwel klaar. In 1922 was een plechtige ceremonie van overgave voorzien nav de transfert van de eigendom van het monument naar de gemeente Amersfoort.  Die werd geannuleerd omdat België weigerde de 53 miljoen gulden te betalen als vergoeding voor het vier jarig onderhoud van de Belgische militaire geïnterneerden. Van zijn kant vond België in 1918 dat het ter compensatie van de geleden oorlogsschade recht had op Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg. Deze Belgische eisen werden in Versailles in 1919 afgewezen.
Een officiële inhuldiging ging pas op 22 november 1938 door in aanwezigheid van koningin Wilhelmina en de Belgische koning Leopold III.
Ter gelegenheid 100 jaar Belgenmonument hield mijn vriend Jacques Pauwels er in 2014 een lezing over zijn boek De Groote Klassenoorlog. De volgende dag was hij in La Braise in Luik over hetzelfde onderwerp. Hij woont in Canada. De Hollanders hebben niet alleen het belgenmonument betaald, maar ook de reiskosten van Jacques…

Geen frontstrepen voor de geïnterneerden

Het leger weigerde aan de geïnterneerden de toekenning van frontstrepen die de pensioenrechten bepalen. Jean-Baptist heeft dus ergens wel geluk gehad met zijn ontsnapping. Na de oorlog werd een commissie onder leiding van generaal Bierbuyck belast met het bepalen van de vaderlandsliefde van mannen die men ervan verdacht hun wapens te gemakkelijk te hebben neergelegd. Generaal Dossin beschouwde de geïnterneerden met minachting. Bij hun terugkeer werden ze uitgejouwd als ‘keeskoppen’ en "verraders". Het duurde meer dan 15 jaar voor die frontstrepen werden toegekend. In 1936 nog moet de socialistische volksvertegenwoordiger August De Block, zelf geïnterneerd, pleiten 1936 voor een amnestie 'zelfs als sommigen het niet verdienen'. En het is nog niet gedaan: in 2014 stelt voormalig minister van landsverdediging Peter De Crem een commissie van historici aan om te onderzoeken of die 32.000 Belgische soldaten gevangenis onrechtvaardig werden behandeld door de militaire autoriteiten bij hun terugkeer naar België. Dit initiatief is het gevolg van een resolutie van vier Vlaamse parlementariërs (Patrick De Groote, Huub Broers, Karl Vanlouwe en Lieve Maes) in de Senaat.
Er waren natuurlijk ook een miljoen burgervluchtelingen.
http://www.wereldoorlog1418.nl/herinneringen-vluchtelingen/ Bij Amersfoort, in Ede, waren de vluchtoorden Ede en Nunspeet. Op initiatief van het Comité Belgen Ede is in 1984 een monumentje opgericht. 6000 Belgen werden hier op de Edese Heide opgevangen in houten barakken. Vluchtoord Ede is in 1918 gesloopt. De materialen zijn gebruikt voor heropbouw in België. Dit waren de Baraques Albert. Daarvan staan er nog een kleine honderd in Herstal. Zie mijn blog blog http://hachhachhh.blogspot.be/2014/10/balade-sante-de-mplp-les-baraques.html
Wij waren in de zomer 1917 in Harderwijk. Maar het Belgenmonument hebben wij niet gezien door het slechte weer. En dat monumentje op de Edese heide is de omweg niet waard..

Biblio

https://biblio.ugent.be/publication/323824    Frank Caestecker UGent, Wie was nu de vijand ? De constructie van de "Duitser" bij het aflijnen van ongewenste vreemdelingen (1918-1919) in Une guerre totale? : la Belgique dans la première guerre mondiale : nouvelles tendances de la recherche historique, - pp. 519-532, Serge Jaumain, Michaël Amara, Benoit Majerus and Antoon Vrints, Colloque international ISBN    2-00-144802-3
http://www.hertogen.be/voorouders/Materiaal/Koethen/2014GErmansinBelgiumCaestecker%20&%20Vrints.pdf he national mobilization of German immigrants and their descendants in Belgium, 1870-1920 Frank Caestecker UGent and Antoon Vrints UGent (2014) Germans as minorities during the first world war : a gobal comparative perspective. p.123-146
 download full text UGent only | PDF | 392.32 KB  http://hdl.handle.net/1854/LU-5639212
http://www.blog.seniorennet.be/fruit/archief.php?startaantal=20&startdatum=1245016800 Ruben Donvil ‘De Grote Oorlog op Kleine Schaal. De gevechten aan de Getelinie in Oost-Brabant (1914) van Davidsfonds 2012).

lundi 2 juin 2014

De koloniale troepen in de Slag om Diksmuide

Volgens Omar Ba van Kif Kif, voorzitter van het Afrikaans Platform en coördinator voor België van ENAR (European Network Against Racism) weten weinigen dat er ook soldaten gerekruteerd werden uit de koloniën (DS 2/6/2014). Hij heeft groot gelijk. Daarom deze blog over de Senegalese tirailleurs die Diksmuide hebben gered in 1914. De blog is gemengd nederlands en Frans. Ik verzorg binnenkort de vertaling.

De Groignebunker

En de weinige sporen van hun offer zijn dan nog slecht beschermd ook. De beschermde Franse Groignebunker (‘het Senegalees bunkertje’ in de volksmond) in Oudekapelle is een getuige van de inzet van soldaten uit de hele wereld. In deze bunker verbleven Senegalese tirailleurs. Het is een mooi ogend bouwsel met een Soedanese voordeur in de vorm van een boog. In de boog en op de binnenmuren staan verzen uit de Koran gegraveerd. In 2012 werd dit gebouw beklad met een hakenkruis. Bart Castelein van vzw De Boot trok onlangs aan de alarmbel: die graffiti zijn nog altijd niet verwijderd. Meer dan 165.000 duizend tirailleurs Sénégalais hebben hun bijdrage geleverd aan deze oorlog. Het zou een krachtig signaal zijn dat deze bunker een prominente plaats krijgt in
de herdenking van de oorlog. Deze plek verdient het net zo goed als een Menenpoort om goed verzorgd te worden.
Het omgekeerde is wel waar: het niet altijd even fraaie koloniale verleden van België krijgt een ereplaats.

Het standbeeld van Alphonse Jacques, Baron de Dixmude.

Op de markt van Diksmuide staat het standbeeld van Alphonse Jacques, Baron de Dixmude.  Tijdens de “Slag om Diksmuide” verving Kolonel Jacques, in feite de bevelhebber van het 12de linieregiment, vanaf 24 oktober Kolonel Meiser als bevelhebber van de Brigade B (Bertrand).
Hij was een omstreden figuur omwille van zijn houding tegenover de Afrikaanse bevolking in zijn campagne tegen de slavenhandelaars (M'Pala 1892) en zijn uitgesproken francofone houding tegenover de Vlaamse soldaat. Het monument spreekt boekdelen: links achteraan zien we een Afrikaanse slaaf met ontbloot bovenlijf, blootsvoets, met gebalde vuist, de gebroken handboeien nog rond de pols geklemd; rechts achteraan tenslotte een koloniale militair gekleed in tropenkostuum met het geweer in rust.
Het is een eigenste link met het niet altijd even fraaie koloniale verleden van België. Toen in 2008 bekend raakte dat het standbeeld deel uitmaakte van een lijst van vijf potentieel beschermde monumenten in Diksmuide werden tijdens het openbaar onderzoek een tiental bezwaarschriften, gebaseerd op Jacques’ omstreden koloniale rol, indediend bij Monumentenzorg. Hij verwierf een heldenstatus in de oorlog tegen de Arabische slavenhandelaars – in feite een vijgeblad voor de koloniale projecten van Leopold II - en mocht zich in 1895 districtscommissaris noemen van Leopolds hoogsteigen rubberwingebied Lac Leopold II. Jacques beval de uitroeiing van de plaatselijke bevolking, omdat ze de vooropgestelde rubberquota niet haalden. Hij werd beschuldigd door het plaatselijk gerecht in Leopoldville voor vrijwillige doodsslag maar alles wijst erop dat hij zijn straf ontlopen is en van de gerechtelijke documenten blijft geen spoor over.
Al bij de inhuldiging van het monument weerklonken negatieve stemmen. Begin jaren negentig gingen er politieke stemmen op om het beeld te neutraliseren tot een ‘onbekende soldaat’ en het te ontdoen van alle opschriften. Sindsdien houdt een groep geëngageerde zielen (zowel inwoners als niet-inwoners) regelmatig ludieke acties om op z’n minst een bordje met een historische correctie naast het beeld te eisen. Het is tijd de rol van de Afrikanen in de slag van Diksmuide in eer te herstellen.

De Senegalese of  koloniale tirailleurs

Ajouter une légende
De Senegalese tirailleurs hebben in october 1914 de situatie in à Diksmuide gered. Ik heb het hier over tirailleurs sénégalais, omdat dit het ideale trefwoord is voor een zoektocht op internet. Maar in feite zou ik het moeten hebben over de koloniale tirailleurs. Na de inlijving van Algerije door Frankrijk werden tussen 1830 en 1854 Zoeavenregimenten gevormd. Aanvankelijk waren deze regimenten gemengd met zowel mannen van Franse als van Algerijnse origine. De naam ‘Zouaves’ is afgeleid van ‘Zouaouas’, een Kabylische stam. De pauselijke Zoeaven zijn trouwens omwille van hun kledij naar de Franse ‘Zouaves’ genoemd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de korpsen van de Zoeaven en van de (inheemse) Tirailleurs deels vermengd, in de zogenaamde ‘Régiments Mixtes de Zouaves et Tirailleurs’ (RMZT). De nummering van de eenheden van de Zoeaven tijdens de Eerste Wereldoorlog is heel ingewikkeld en bijzonder verwarrend door reorganisaties binnen het Franse leger. Eenheden werden vaak opnieuw samengesteld en/of herbenoemd, o.m. ten gevolge van de zware verliezen die ze leden.
De vzw De Boot heeft een tentoonstelling opgebouwd waarin 18 verschillende culturen die meegevochten hebben in de Westhoek in beeld gebracht. Deze kwam tot stand i.s.m. Lo-Reninge en Houthulst.  In hun heel interessante brochure vermelden ze hoe de eerste bataljons van de tirailleurs Sénégalais op 25 oktober 1914 aan kwamen in de Westhoek, meer bepaald in Lo, ter versterking van het Franse leger in België. De afrikanen werden ingezet tijdens de Slag aan de Ijzer in Diksmuide, de Drie Grachten, Luigem en Sint-Elooi. De gevolgen waren verschrikkelijk voor de Tirailleurs Sénégalais. Zo’n 2000 Tirailleurs sneuvelden in de eerste oorlogsmaanden waarvan er vandaag slechts 14 terug te vinden zijn op de Franse begraafplaats Saint-Charles de Potyze.
Jacques, Baron de Dixmude, heeft nochtans  veel te danken aan zijn tirailleurs die zich terecht mogen afvragen: hier ons bloed, wanneer ons recht?

De Senegalese tirailleurs in Diksmuide: 411 overlevenden op 2.000

"Le 26 octobre, les défenseurs de Dixmude voient leurs rangs clairsemés se grossir de nouveaux compagnons d'armes qu'on a un peu trop oubliés dans les hommages: le 2e Régiment Mixte Colonial sénégalais. A la fin de la bataille, le 15 novembre, il reste 400 hommes au 1er bataillon et seulement 11, dont un capitaine, au 2° bataillon des tirailleurs sénégalais: 411 survivants sur 2 000".
Ils sont toujours oubliés dans les hommages en 2014!

Un des mythes du mouvement flamand est les soldats flamands envoyés dans le feu par des officiers français dans une langue qu’ils ne comprenaient pas. Dans le flot d’articles sur la grande guerre je n’ai encore trouvé aucun qui évoque les Sénégalais envoyés dans le feu par des officiers français dans une langue qu’ils ne comprenaient pas.
Ils ont sauvé Dixmude lors du retrait sur l’Yser. La bataille de l'Yser s'engage le 16 octobre sur la ligne du chemin de fer d'Ypres à Ostende. http://fr.wikipedia.org/wiki/Brigade_de_fusiliers_marins L’armée belge était appuyé par la brigade de fusiliers marins de Ronarc'h ou composé en partie d’apprentis fusiliers marins très jeunes (jeunes engagés ayant à peine seize ans et demi). Les Parisiens leur donnent le surnom de « Demoiselles de la Marine ». Cette brigade s’était déjà battue à Melle les 9, 10 et 11 octobre pour protéger la retraite des troupes belges ayant évacué Anvers.
Le 19 octobre les Allemands percent le front à Beerst et les alliés se replient derrière l'Yser. Dixmude qui s'élève dans l'angle formé par la rivière et le canal de Handzame constitue un dangereux saillant : c’est là que les Allemands vont surtout frapper. Très vite, les Belges replient le gros de leurs troupes derrière la ligne du chemin de fer de Nieuport à Dixmude, en ne conservant, en première ligne à Dixmude, un peu d'artillerie, une brigade commandée par le colonel Meiser et les Demoiselles aux pompons rouges de Ronarc’h. Les trois corps d'armées de réserve allemands, environ 30 000 hommes, attaquent les 6.000 fusiliers de  la Marine et les 5 000 Belges de la brigade Meiser, composée des 11e et 12e de Ligne.
Le 21 au soir, Foch envoie en renfort le 16e bataillon de chasseurs, en avant garde de la 42e division de Grosetti. Le mot d’ordre de Foch est l’offensive à tout prix : Grosetti pousse vers Ostende, pendant que le général de Mitry à sa droite, entraîne ses cavaliers vers la forêt d'Houthulst.
mouton fétiche des tirailleurs
Mais les Allemands contrattaquent et s'emparent de Tervaete, en aval de Dixmude. Le 24 octobre, les allemands lancent deux assauts entre Pervyse et Ramscapelle, afin de les chasser de leur seconde ligne de défense, constituée par la voie ferrée de Nieuport à Dixmude.
Le récit de Galet, aide de camp du Roi Albert décrit l’état de panique chez les belges :
« Le G.Q.G. belge voulait retraiter jusqu'à Calais-Dunkerque, et le général Joffre et le général Foch interdirent pour l'armée belge l'accès du territoire français, forçant ainsi le Roi à garder un morceau de terre et le contraignant à l'héroïsme. Mais lorsque, dans la nuit du 22 au 23 octobre, une division belge recula, laissant les Boches traverser l'Yser, le G.Q.G. belge donna l'ordre de retraite. Galet interpelle le Roi : en donnant l'ordre de retraite on vous fait abandonner vos Alliés sur le sol même de la Belgique, car les troupes françaises ne seront pas comprises dans l'ordre de retraite. Elles resteront toutes seules, elles mourront sur le sol belge que l'armée belge aura abandonné. A le croire, son intervention « eut le plus heureux effet, le plus considérable aussi pour la réputation du Souverain et l'honneur de notre armée. Tout de même, il (le Roi) demanda un délai d'une heure, et une heure plus tard l'ordre de retraite était rapporté » (http://www.persee.fr/web/revues/home/prescript/article/rbph_0035-0818_1962_num_40_4_2440#  Galet, S.M. le Roi Albert Commandant en chef devant l'invasion allemande, pp. 118-119 (Paris, 1931).
Arrêtant sa marche vers Ostende,  Grossetti  lance une brigade sur Pervyse. Les Allemands font pleuvoir une grêle de shrapnells. « Ouvrez vos parapluies ! » clame Grossetti.
Les fusiliers marins réussissent à réoccuper Ramscapelle.

Het  2e gemengd Koloniaal Regiment

 Le 26, ils voient leurs rangs clairsemés se grossir de nouveaux compagnons d'armes qu'on a un peu trop oubliés dans les hommages rendus aux défenseurs de Dixmude : le 2e Régiment Mixte Colonialsénégalais vient de livrer de terribles combats autour d'Arras. En fait, le régiment Pelletier avait été constitué le 24 septembre sous le nom de régiment d'infanterie coloniale de marche, une fusion de bataillons décimés aux batailles de Signy-l'Abbaye et de Bertoncourt. Le 1er octobre, ce régiment avait été dissous et amalgamé avec 5 bataillons sénégalais pour former le 2e régiment mixte d'infanterie coloniale. Le 26 les Sénégalais débarquent donc à Dixmude pour être jétés dans la fournaise. Le 28 octobre, les Belges commencent à tendre les inondations de la rive gauche de l'Yser entre ce fleuve et la chaussée de chemin de fer de Dixmude à Nieuport. Le 30, le front était percé; l'inondation semblait déjouée. Mais Grossetti sauve la situation avec sa 42e division, ses zouaves, tirailleurs, chasseurs à pied, soutenus par trois bataillons belges. Les marins ont plus de 3 000 hommes morts ou hors de combat. Selon d’autres sources, pendant les seize mois au front ils auraient perdu 172 officiers, 346 officiers et 6 000 quartiers maîtres et marins, soit l'équivalent de son effectif initial majoritairement composé de Bretons.
Concernant les tirailleurs sénégalais, il reste 400 hommes au bataillon Frèrejean et seulement 11, dont un capitaine, au bataillon Brochot : 411 survivants sur 2 000. Le 15 novembre, l'offensive allemande est définitivement stoppée.
Franse   tegenaanvallen   in   de   tweede   helft   van   november     zorgden  op   17  november,  2de  Marokkaanse  Brigade  in  het  Bois  triangulaire)  en  in  december    38ste  DI,  Fusiliers  Marins,  87  DIT  langs  het  kanaal)  ervoor  dat  aan  Duitsers  verloren  stellingen  werden  heroverd.    Bij  de  Duitse  poging  op  12  november  het  bruggenhoofd  bij  Drie  Grachten  te  veroveren  gebruikten  ze  een  aantal  krijgsgevangen  zoeaven  als  menselijk  schild.  De  zoeaven   die hun makkers  zagen  aankomen  ze  niet.  Tot  een  van  de  gevangenen  riep  dat  het  een  valstrik  was  en  dat  ze  moesten  schieten  om  te  voorkomen  dat  de  Duitsers  de  brug  zouden  innemen.  De  woorden  van  de  onbekend  gebleven  zoeaaf,  die   daarmee   uiteraard   de   dood   over   zichzelf   afriep,   staan   vandaag   nog   te   lezen   op   een   steen   in   de   gevel   van   het 
voormalige  Café  Drie  Grachten:  ‘Mais  tirez  donc,  n.  de  D.’  –  ‘Maar  schiet  dan  toch,  gvd.’   
Un de leurs chefs, le colonel Mérienne Lucas, a écrit au général du 38e Corps d'armée du Département de Belgique : « Il importe de faire citer à l'ordre de l'armée ces héroïques Sénégalais à côté des fusiliers marins».  Et pourtant cette suprême récompense ne leur fut pas accordée.     Que du contraire : ils recevront comme suprême récompense la décimation.

Le 15 décembre les tirailleurs reçoivent leur suprême récompense : la décimation.

Dans le livre deJean-Yves le Naour sur les fusillés  on peut lire cette incroyable histoire (p. 128-129) : " Parce qu'elle ne s'est pas ébruitée, l'histoire des tirailleurs tunisiens décimés sur le front de l'Yser en décembre 1914 n'est jamais venue en justice. Complètement épuisé, le 8° tirailleurs avait refusé de sortir des tranchées. Le général Foch, commandant le groupe des armées du nord, réclame la décimation d'une compagnie pour servir d'exemple. Le 15 décembre 1914, on désigna donc un homme sur dix au hasard, sans décision de justice, puis on les promena ces infortunés devant leurs camarades avec une pancarte où était inscrit le mot " lâche" en français et en arabe – respect pour les langues ? - avant de les passer par les armes. Restée inconnue, cette affaire n'a jamais pu être défendue."
Un autre témoignage situe le refus de sortir des tranchées au 23 septembre 1914, donc en pleine bataille de Dixmude. Mais en fait, à cette époque ils sont à Ypres, et l’unité décimée sont des tirailleurs tunisiens, d’autres parlent d’algériens. La confusion provient de l’amalgame de ces unités coloniales suite aux pertes effroyables, et à la historiographie négligé de ces unités. Toujours est-il qu’il ne s’agit probablement pas des unités coloniales engagées à Dixmude. Vous devez me pardonner de faire le rapprochement même s’il n’est pas tout à fait historique….
" Le 5e régiment de tirailleurs algériens était composé d’engagés indigènes d’Algérie. Le général commandant la 73e brigade a écrit au général commandant la 37e division d’infanterie, le 23 septembre 1914 : ‘Les unités de tirailleurs se sont comportées aujourd’hui d’une façon navrante. J’ai tué de ma main 12 fuyards et ces exemples n’ont pas suffi à faire cesser l’abandon du camp de bataille par les tirailleurs’. Pourquoi ce nombre de douze ? Il représente le dixième de l’effectif d’une compagnie, c’était une « décimation ».
 Les tirailleurs tunisiens avaient déjà manifesté leur refus d’embarquer à Bizerte, estimant qu’ils ne pouvaient pas être contraints à aller combattre en Europe, et leur mouvement avait été réprimé. Engagés néanmoins sur le front des Flandres, la guerre de tranchées dans la boue et le froid n’a fait que renforcer leur refus d’y participer. Suite au refus d’une compagnie de participer à une offensive, une note du général Foch ordonne : « qu’on prenne immédiatement des sanctions : les meneurs ou 10 hommes tirés au sort dans la compagnie qui a refusé de se lever et qu’on les passe par les armes, dans un autre corps ».
Le 15 décembre 1914, le général commandant la compagnie ordonne à son tour : ‘Mes ordres portent qu’il soit tiré au sort un tirailleur sur 10 de la compagnie qui a refusé de marcher, sans préjudice des instigateurs de ce refus d’obéissance, s’ils venaient par la suite à être connus, que les tirailleurs désignés par le sort soient promenés devant le front avec un écriteau portant en français et en arabe le mot “lâche”, qu’ils soient fusillés aussitôt après’. L’exécution a lieu le 15 décembre : «L’exécution a, paraît-il, fortement impressionné les tirailleurs et on pense qu’elle aura un effet salutaire. C’est une compagnie de zouaves qui en a été chargée». Un autre document rapporte : «Les dix tirailleurs désignés par le sort ont été fusillés après les formalités prescrites. Un ordre en arabe a été lu aux tirailleurs pour leur expliquer les motifs de la décision du général».
Hierbij nog een vollediger versie van In Flanders Fields :
Toen  de  15de  compagnie  van  8  RTT    4de  bataljon)  na  weken  gevechten  langs  het  kanaal  op  8   december   op   rust  mocht   naar   Fintele     Pollinkhove),  werden   de   tirailleurs   al   na   een   halfuur   opgeroepen   om   zich  naar  het  zuidoosten  van  de  Ieperboog  te  haasten,  om  bij  het  pas  verloren  Côte  60    Hill  60)  in  de  tegenaanval  te  gaan.  Onder   protest   werden   de   25   kilometer   naar   het   nieuwe   front   afgelegd,   sommigen   dienden   van   vermoeidheid 
onderweg  achter   te  blijven.  Aanval  na   vergeefse  aanval   volgde,   tot   op  13  december  een  bevel  werd  geweigerd.  Het  dagboek  van  de  bevelvoerende  eenheid,  1  RMT,  beschrijft  het  incident  omstandig:  A   8h20  le   Commandant   Amis   donne  le   signal   de  l’attaque.   Le   Capitaine   Lasserre   se  lève,   bondit   pardessus  la  tranchée  en  levant  son  képi  et  en  indiquant  du  bras  la  direction.  Les  zouaves,  la  1e  demi-section  du  Génie  et  la  5e 
Cie  du  1  RMT  s’élancèrent  au  pas  de  course  en  criant:  en  avant. 
Quand  ils   eurent   gagné   30  m.  le   Ct   donne  l’ordre   à  la   Cie   du   8e   T   de   suivre  le  mouvement   pour  former  la   2e  vague  de  l’assaut,  mais  il  lui  fut  impossible  de  faire  lever  cette  Cie  dont  les  hommes  opposèrent  la  force  d’inertie  la  plus  absolue.  Entre  temps  la  1e  vague  s’égrenait,  les  pertes  se  faisaient  rapidement  nombreuses,  une  partie,  très  faible,  des  assaillants  arrivait  aux   tranchées  allemandes.  En   tête,  à  droite,  le  capitaine  Lasserre,  un   sous-officier,  un  caporal  et  une  quinzaine  d’hommes,  vers  la  gauche  un  sous-officier  et  20  hommes;  ils  sautent  dans  les  tranchées  allemandes  et  disparaissent  aux  vues  de  nos  lignes.  Quelques  hommes  se  rejettent  en  arrière  et  se  tapissent  dans  un  trou  d’obus  à  quelques  mètres  de  la  tranchée  allemande  et  en  angle  mort,  ils  rentreront  dans  nos  lignes  à  la  nuit. 
La  9e  Cie  puis  la  12e  sont  bien  venus  prendre  place  derrière  la  Cie  du  8e  T  mais  le  temps  a  passé,  la  ligne  ennemie  que  le  tir  de  l’artillerie  avant  l’attaque  avait  forcé  les  allemands  à  dégarnir  momentanément  avait  eu  le  temps  de  se  renforcer.  Le  tir  ennemi  fusillade,  mitrailleuse,  canonnade  étaient  devenus  intensifs.  Lancer  une  nouvelle 
colonne   d’assaut   dans   ces   conditions   était   la   vouer   à   une   destruction   certaine.   L’attaque   avait   échoué   et   ne  pouvait  être  reprise  qu’après  une  nouvelle  préparation  de  l’artillerie.   
 
Generaal  d’Urbal,  bevelhebber  van  het  Franse  VIIIste  leger  in  Roesbrugge,  was  verbolgen.  Op  15  december  kwam  het  fatale   bevel   tot  decimering   van   de   15de   Cie,   wars   van   elk   voorschrift,   en   ondanks   protest   van   divisiegeneraal   De  Bazelaire.   
 
Mes   ordres   portent   qu'il   soit   tiré   au   sort   un   tirailleur   sur   10   de  la   compagnie   qui   a   refusé   de  marcher,   sans  préjudice  des  instigateurs  de  ce  refus  d'obéissance,  s'ils  venaient  par  la  suite  à  être  connus,  que  les   tirailleurs  soient  promenés  devant  le  front  avec  un  écriteau  portant  en  français  et  en  arabe  le  mot  'Lâche';  qu'ils   soient  fusillés  aussitôt  après. 
 
Van   deze   gefusilleerden   bleef   uiteraard   geen   spoor.   Kolonel   d’Anselme,   de   bevelhebber   van   1   RMT   die   de  tegenaanvallen  op  Hill  60  leidde,  bleef  tot  19  december  doorgaan,  om  dan  te  besluiten  dat  zonder  echt  beleg  de  heuvel  nooit   meer   in   Franse   handen   zou   vallen.   Dat   dit   een   juiste   analyse   was,   zouden   de   Britten   het   volgende   voorjaar  bewijzen.   
Achiel Van Walleghem, in   1914   onderpastoor   van   Dikkebus,   en  juni  1915  pastoor in  Reningelst,  schreef  over  de  Franse  koloniale  troepen  in  december  1914:    Hier   zijn   nu   ook   vele   soorten   van   troepen,   vele   zouaven  met   hunne   wijde   roode   stropbroeken,   kort   vestje   en  turksche   klak.   Ook   tirailleurs   algériens,   met   hun   halfzwart   wezen,   grijze   stropbroeken   en   kapmantel; deze   laatste  half  wild  mochten  niet  veel  alleen  gelaten  worden,  en  meer  dan  eens  heeft  men  in  de  streek  van  hunne  booze  toeren  gehoord).   
De   Franschen   hebben   nog   wat   moeten   wijken   langs   den   kant   van   Zillebeke.   Die   groote   schuld   is   aan   de  Senegaleezen.  Deze  zijn  moedig  en  onbevreesd  voor  de  dood,  doch  zij  zijn  benauwd  van  ‘t  gerucht  van  ‘t  kanon  en  hun  bijgeloof  zegt  hun  dat  eens  dat  zij  door  eene  bom  geschonden  zijn  zij  naar  den  hemel  niet  kunnen  gaan.  

Mangin, inventeur de la « Force noire » gagne au Chemin des Dames une réputation de  broyeur de Noirs

tirailleur
En 1917 le général Nivelle proposera à Verdun « ne pas ménager le sang noir pour conserver un peu de blanc »...  Nivelle avait confié la VIe Armée à Mangin, qui espère trouver au Chemin des Dames l’occasion de faire triompher définitivement ses idées sur la « Force noire ».
Mangin   had in   de   vooroorlogse   tijd  propaganda   had   gemaakt   voor   de   uitbreiding   van   de   ‘armée   noire’:  de  Afrikanen  zouden  primitief  en  oorlogszuchtig  zijn  en  om  die  reden 
in  een  Europese  oorlog  bijzonder  geschikt  als  schoktroepen  aan  het  front.    In  februari   1915   verscheen   in   het   tijdschrift   Midi  Colonial  een   karikatuur   waarop   een   islamitische   soldaat   met  een   ketting   van   afgesneden   oren   te   zien   was,   met   daaronder  
de  woorden   “Taisez-vous,   méfiez-vous,   les   oreilles   ennemies   vous   écoutent  ”.   In  de  loop   van  het  jaar  1917   werd  het  lot   van  de  ‘armée  noire’  nauw  verbonden   met   Mangin:   op   16   april  lanceerde  generaal  Nivelle  een  offensief  in  de  Champagne,  waaraan  ook  het   door  Mangin  aangevoerde  Tweede  Koloniale  Korps    deelnam.   Bij het   Duitse  tegenoffensief kwamen   van  alle  ingezette  West-Afrikaanse  soldaten  bijna  de  helft  om  het  leven.  Mangin,  die  kort  daarvoor  nog  een  verdere  intensivering  van  de  rekruteringen   in   de   kolonies   had   gevraagd,   kreeg   hierdoor   de   bijnaam  ‘slager’.  Eind  april  werd  hij  uit  zijn  commando  ontslagen.  
Mangin place donc « ses » Sénégalais aux deux ailes de son armée. 20 bataillons, soit un peu plus de 15 000 hommes, sont en première ligne. 1 100 d’entre eux, victimes des intempéries, doivent être évacués avant le 16 avril pour pneumonies ou engelures. Dès le premier jour de l’offensive, au moins 1 400 Sénégalais meurent. La plupart des bataillons noirs qui ont perdu souvent les trois quarts de leurs effectifs sont relevés dès le 18 avril.  Le général Mangin a gagné au Chemin des Dames une réputation de « boucher » et de « broyeur de Noirs », qui amène Nivelle à lui retirer, le 29 avril, le commandement  de la VIe Armée….

Het gedenkteken voor de Zoeaven in Koksijde-Bad.

In Koksijde-Bad staat een gedenkteken voor deZoeaven, op het Zouavenplein. Aan de overkant van de Koninklijke Baan, ligt de Zouavenlaan die leidt naar het centrum van de zgn. ‘Quartier Sénégalais’.
Op de inventaris van Onroerend Erfgoed deze samenvatting, die mijn blog min of meer overlapt.
“In 1914, tijdens het eerste oorlogsjaar, leden de Zoeaven en Tirailleurs verschrikkelijk veel verliezen. Vele slachtoffers kregen nooit een graf, anderen werden nooit in de administratie opgenomen. Eenheden met o.m. Zoeaven en Tirailleurs leden grote verliezen bij de verdediging van Ramskapelle op 30 oktober 1914 (IJzerslag). In november 1914 kenden ze zware verliezen ten zuiden van Diksmuide, bij Drie grachten, Luigem, Maison du Passeur, Pypegale, Steenstrate en Bikschote. Oververmoeide Zoeaven en Tirailleurs werden vervolgens in december 1914 ingezet in zinloze aanvallen bij Hill 60. Toen de 15de compagnie van het 8ste Regiment Tirailleurs op 13 december een bevel tot aanval weigerde uit te voeren, werd de compagnie enkele dagen later op bevel van Generaal d’Urbal, bevelhebber van het Franse VIIIste leger, gedecimeerd.
De duinen van Koksijde werd voor vele Zoeaven de plaats waar ze eventjes op adem konden komen na enkele zware dagen of weken IJzerfront. Vandaar dat de 'Union des Amicales Réglementaires de Zouaves' voor Koksijde koos, toen ze in 1934 besloot een gedenkteken op te richten voor alle Zoeaven die tijdens de Eerste Wereldoorlog op Belgische bodem omgekomen waren.
Het ‘Fransch-Belgisch Bedrijvigheidscomiteit tot het oprichten van een gedenkstuk ter eere der Zouaven’ ontving van het gemeentebestuur de nodige gronden. Vaderlandslievende verenigingen in België en Frankrijk hielden geldinzamelingen tot het bekostigen van het gedenkteken en de feestelijkheden ingericht bij de inhuldiging.
Het gedenkteken, vervaardigd uit ‘granit bleuté’, werd ontworpen door de Parijse architect René Clozier (1886 - 1965), een oud-gediende bij het 1ste Regiment Zoeaven die eveneens auteur was van het werk "Zouaves. Epopée d'un régiment d'élite", uitgebracht in 1931. Jaarlijks op Pinkstermaandag komt de 'Union des Amicales Réglementaires de Zouaves' nog naar Koksijde voor een plechtigheid.
Vlakbij het 'Zouavenplein' ligt de wijk die in de volksmond 'Quartier Sénégalais' genoemd wordt. Deze wijk zou eveneens haar naam te danken hebben aan Afrikaanse koloniale troepen uit de Eerste Wereldoorlog, die in Koksijde gestationeerd waren. 'Senegalezen' werd vroeger vaak gebruikt als algemene term voor Franse koloniale troepen, die tijdens de oorlog wel in Koksijde aanwezig waren. Op de linkerkant: 'Voorbijganger - 224 officieren 7.427 onder officieren korporalen en Zouaven van het Frans leger sneuvelden op Belgisch grondgebied voor vaderland recht en vrijheid. Dit gedenkteken vereeuwigt hun verheven offer'. Op de rechterkant: 'Passant - 224 officiers 7.427 sous officiers caporaux et Zouaves de l'armée française tombèrent sur le sol belge pour la patrie le droit et la liberté. Ce monument immortalise l'immensité de leur sacrifice'.

Biblio

Charles Le Goffic, Dixmude, un chapitre de l'histoire des fusiliers marins, Librairie Plon, 1915.
http://www.persee.fr/web/revues/home/prescript/article/rbph_0035-0818_1962_num_40_4_2440#  Galet, S.M. le Roi Albert Commandant en chef devant l'invasion allemande, pp. 118-119 (Paris, 1931).
BULLETIN d’INFORMATION  édité par le CONSEIL GÉNÉRAL de l’AISNE - HORS SÉRIE n° 4 Hommage aux tirailleurs sénégalais
Zie ook http://www.inflandersfields.be/images/filelib/DEZWARTESCHANDEeducatiefpakket_626.pdf Het  verhaal  van  de  koloniale  troepen  zal  veel minder  te  horen  zijn.  Velen uit de gekleurde troepen hadden blanke mannen gedood en zagen dat de Franse piotten (rangloze militairen) in dezelfde miserie moesten vechten. Ze merkten dat hun blanke mede- en tegenstanders allesbehalve superieur waren. We  leven  nu  honderd  jaar  later  in  een  effectief geglobaliseerde,  multiculturele  wereld  en  land.  Maar  veel  van  de  vooroordelen,  stereotypen  en  nationalistische reflexen bestaan nog steeds.  De fascinatie voor de manier waarop naar het ‘anders zijn’ wordt gekeken, is gegroeid dankzij drie leden van Bleeding Bulls, Maarten Goffin  (acteur en artistiek leider  van Bleeding Bulls), Zouhair Ben Chicka (regisseur,  schrijver en acteur) en Joost Wynant (Cineast).