Affichage des articles dont le libellé est Kannunik Andries. Afficher tous les articles
Affichage des articles dont le libellé est Kannunik Andries. Afficher tous les articles

mercredi 3 juillet 2019

De verdwenen sifons in Damme-Oostkerke


Ik ben in juni 2019 met twee van mijn broers gaan eten in de Siphonwaar vele Ruddervoordse jongeren vijftig jaar geleden een vakantiejob deden. De kok Antoon Neyrinck was van Ruddervoorde, vandaar. Ik probeerde aan mijn vrouw uit te leggen wat die sifon was. Ik was er beter niet aan begonnen. Het is INGEWIKKELD! Een onderleider of sifon of grondpomp of grondduiker is een duiker waarmee water van de ene waterloop  onder een ander water doorloopt. Dit type duikers wordt bijvoorbeeld aangelegd als een gebied met eenzelfde peil wordt doorsneden door een watergang met een ander, afwijkend peil. Houten onderleiders of grondpompen waren al wijd verbreid in de 16e en 17e eeuw. Hier in Oostkerke diende die siphon om het water van een afvoerkanaal, de blinker, onder een bevaarbare waterloop, het kanaal Brugge-Sluis, te laten lopen. Later is daar nog een tweede sifon bijgekomen, voor de Stinker.
Die twee sifons zijn in 1940 door Franse genietroepen opgeblazen, om daarna niet meer te worden heropgebouwd. Men heeft een koker gebouwd tussen de twee stukken van de vaart Brugge-Sluis. De hoogste vaart gaat hier dus onder de twee lager gelegen afwateringsvaarten door. Een omgekeerde wereld…

Het kanaal Brugge-Breskens van Napoleon

Wij gaan niet beginnen met de verzanding van het Zwin, maar bij Napoleon. Om de blokkade van de Britten te omzeilen wilde deze Brugge door een kanaal verbinden met Breskens (hij deed trouwens hetzelfde tussen Nantes en Brest).
Het Napoleon kanaal werd vanaf 1810 uitgegraven door Spaanse krijgsgevangen. Bij de val van Napoleon was het kanaal af tot aan het fort St-Donaas in Lapscheure. De Damse vaart is dus nooit afgewerkt, alhoewel hij geklasseerd was als bevaarbare waterloop.
In 1858 heeft Sluis het kanaal doorgetrokken tot in zijn centrum, maar dat heeft het stadje niet meer opgeleverd als een toeristische barge die de verbinding met Brugge maakte.
Maar een nieuw probleem rees toen België zich afscheurde van Nederland, in 1830. Het oppervlaktewater van het noorden van Brugge vloeide bijna allemaal langs het Lapscheurse gat en het Zwin naar de zee. Nu werd alle waterafvoer over Nederlands grondgebied onmogelijk gemaakt. Het noorden van Oost- en West-Vlaanderen werd enorm gehinderd door wateroverlast.

Kanunnik Andries  en het Leopoldkanaal

In 1832 trok kanunnik J.O. Andries, pastoor te Middelburg van 1827 tot 1836, aan de alarmbel. Die was in 1830 afgevaardigde geworden in het Nationaal Congres voor het district Eeklo. Zijn bemoeiingen met het waterprobleem bezorgden hem zelfs een plaats in het parlement van 1835 tot 1839. Die kannunik is zowat de enige gekende figuur afkomstig uit mijn geboortedorp Ruddervoorde. Ik schreef over hem een blog, over zijn rol als pastoor van Sint Salvators in Brugge.
Op 16 maart 1837 diende hij een wetsvoorstel in voor een afwateringskanaal tussen Zelzate en de zee bij Heist. Dit kanaal kreeg de naam Leopoldkanaal of kanaal van Zelzate, ook wel de Blinker genoemd. Later zal daar de Stinker bij komen.
Dit Leopoldkanaal kruiste de Damse vaart in Oostkerke. Het was een afwateringskanaal waarvan het waterpeil veel lager stond dan het peil in de Damse vaart die voor scheepvaart ontworpen was. Daarom moest het Leopoldkanaal met het laagste waterpeil onder de Damse vaart doorlopen via een siphon.
Op 1 juni 1846 was de Leopoldvaart gegraven vanaf Heist tot aan het kruispunt met de Damse vaart op Oostkerke. Men kon nu varen van Brugge door de Damse vaart tot Oostkerke en vandaar door het Leopoldkanaal naar Heist, 0,75 frank per persoon en 1 fr. voor 100 kg goederen. Op 8 april 1847 vroeg bakker Jan Blomme van Oostkerke de toelating om bij het kruispunt van de twee kanalen een barak van 10 meter op 7 meter te mogen oprichten. Daar zal later het restaurant de Siphon komen. Op het plan hiernaast zien wij als eigenaar Callewaert. Wij werkten als jobstudent voor Madame Callewaert, de vijfde generatie. later kwam daar nog de barge Brugge-Sluis bij, na een onderbreking voor het bouwen van de siphon.

Willem steekt een stop in het kanaal van Terneuzen

Maar daarmee was het afwateringsprobleem nog niet opgelost. De afvoer van het overtollig water van de Leie gebeurde langs Gent en sinds 1824 ook langs het kanaal van Terneuzen. Door het afsluiten van dit afwateringssysteem in 1830 kampte Gent met wateroverlast.
Dus besloot men in 1846 een afwateringskanaal te graven tussen de Leie te Deinze en devaart Gent-Brugge. Omdat men het vuile water van het Schipdonkkanaal niet in het kanaal Gent-Brugge wilde hebben, werd er een sifon gebouwd zodat het water van het afleidingskanaal onder het andere door kon lopen. Het "Goed van Schipdonck" in de buurt van deze kruising zou het kanaal zijn naam geven.
Maar daardoor kreeg Brugge wateroverlast. Men trok daarom het afwateringskanaal vanaf Schipdonk door tot Stroobrugge en dan naast het Leopoldkanaal tot de zee in Heist. Dit kanaal werd de Stinker gedoopt want het afgevoerde water was sterk vervuild door de vlasroterij.
Ook voor dit kanaal moest weer op de kruising met de Damse vaart te Oostkerke een siphon gebouwd worden.

1940: de Fransen dynamiteren de sifons

de sifons opgeblazen in 1940
Tijdens de oorlog 1914-18 werd de streek “Sperrgebiet”. De grens daarvan liep van Brugge langs de Damse vaart tot de Sifons en vandaar langs de kanalen voorbij Moerkerke tot de Nederlandse grens. Bij hun aftocht in 1918 hebben de Duisters de twee sifons gedeeltelijk gedynamiteerd.
Na de oorlog werden die terug opgebouwd. Maar 1940 is fataal geworden voor de sifons. De geallieerden stuurden Franse troepen om het Belgisch leger te helpen. Met de Belgische capitulatie heeft de Franse genie de twee sifons gedynamiteerd zodat de Damse vaart leegliep in de twee afleidingsvaarten. Om de scheepvaart op de Damse vaart gedeeltelijk mogelijk te maken werd langs de kant van Damme in de Damse vaart een dam gelegd waardoor scheepvaart weer mogelijk was tussen Brugge en de sifons.

Een kanaal te ver

Er werd ook een dam gelegd tussen de twee siphons en een dam vlak voor het restaurant “De Siphon” om te beletten dat het water uit het Schipdonkkanaal in het Leopoldkanaal zou vloeien.
Deze kanalen werden in 1944 het toneel van een bloedige veldslag. Hierover schreef mijn vriend Jacques Pauwels, die nu in Canada woont, een boek. Het klein stukje België ten noorden van de kanalen zou pas in november 1944 volledig bevrijd worden. 440 Canadese infanteristen waren de kanalen overgestoken om een bruggenhoofd te veroveren.  De brug ligt op een paar honderd meter van de kanalen klaar om gemonteerd te worden.  De middendijk wordt snel veroverd maar eenmaal over het tweede kanaal stuiten de Canadezen op een onverwacht sterke Duitse verdediging die de Canadezen in een tang neemt. Men krijgt vreselijke huis-aan-huis, zelfs lijf-aan-lijf-gevechten. De munitie van de bevrijders in de wijk "Het Molentje" raakt op, de bevrijders moeten zich terugtrekken. 
Later zullen de Canadezen een nieuwe poging doen verder naar het oosten: de operatie "Switchback" begint op 6 oktober. Hierdoor moesten de Duitsers op 19 oktober de zone rond het Molentje ontruimen en werd de Duitse linie naar achter geschoven. Op 22 oktober brengen zij met 2500 kg dynamiet de kerktoren van Oostkerke tot ontploffing.  Het gebied ten noorden van het Leopoldkanaal werd pas op 3 november bevrijd.

De Damse vaart in twee gesneden

Na de oorlog werd in 1945 beslist om de twee siphons niet meer te herstellen, waardoor de bootdienst Brugge-Sluis niet meer mogelijk is. De Damse vaart tussen de twee siphons en Sluis stond daarmee droog. Daarom werd een koker gelegd tussen de twee delen van de Damse vaart. Om in perioden van waterschaarste toch voldoende water in de Damse vaart te hebben tussen de sifons en Sluis, werd een vijzel geplaatst in de dam recht voor het restaurant “De Siphon”. Zo kan zo nodig water uit de Leopoldvaart gepompt worden in de Damse vaart, richting Sluis.
Als we die koker dus nog een sifon kunnen noemen, dan staat die haaks op de twee eerste sifons die als doel hadden (toerisme)scheepvaart mogelijk te maken tussen Brugge en Sluis. Maar het blijft een mooi trajekt per fiets!

Bronnen

René De Keyser, De siphons te Oostkerke https://www.zwinstreek.eu/geschiedenis/heemkundige-kringen/zoeken-in-publicaties/1736-de-siphons-te-oostkerke-1997-03
http://www.belgiumview.com/belgiumview/tl1/view0004303.php4?pictoshow=0004303ba
http://www.damme-online.com/nl/natuur/dubbelkanaal.htm
http://www.damme-online.com/nl/natuur/damsevaart.htm Damse Vaart (Napoleonkanaal of Vaart Brugge-Sluis)


dimanche 15 septembre 2013

Kannunik Andries en Sint Salvators

Kannunik Joseph-Olivier Andries is geboren in mijn geboortedorp Ruddervoorde op 23 juni 1796 en was lid van het Nationaal Congres.
Via de eerste bisschop van Brugge Frans René Boussen en het boek “La révolution Belgique” van François-Michel van der MERSCH kwam ik in Sint Salvators terecht.
Andries was de zoon van notaris en burgemeester van Ruddervoorde Jan Andries. In 1830 werd hij voorgedragen en verkozen in het Nationaal Congres voor het arrondissement Eeklo. Na de goedkeuring in 1839 van het Verdrag der XXIV artikelen, waarbij Zeeuws-Vlaanderen naar Nederland werd overgeheveld, trok hij zich uit de politiek terug.
In 1863 zette hij zich in om in het kader van de strijd tegen de armoede een domein van 2300 ha te verkavelen onder kleine boeren in de streek van Ruddervoorde. Daarna hielp hij in de strijd voor het behoud van de historische eigendomsstructuur van de Gemene en Loweiden in Assebroek.
Maar ik wil het hier vooral  hebben over zijn job als penningmeester van de kerkfabriek Salvatorskathedraal. In juli 1841 werd hij door bisschop Boussen aan het werk gezet om de kathedraal “te herstellen” na een brand in 1839. Wij zullen zien hoe herstellen voor de neogotiekers een relatief begrip was…
Om de mentaliteit van Boussen te situeren, dit citaat: “La religion a obtenu la liberté et avec la liberté elle doit vaincre. Lorsque le catholicisme aura pris une véritable emprise en France et en Angleterre, la chère Belgique, destinée depuis longtemps par la Providence à devancer les autres nations, sera parvenu au point qu’elle se constituera catholiquement » (François-Michel van der MERSCH, La révolution Belgique, p.259)
Boussen
In 1834 werd het bisdom Brugge heropgericht. De Gentse hulpbisschop Frans René Boussen 
werd de nieuwe bisschop van Brugge. Hij startte een ambitieus programma om het in de revolutie verloren terrein terug te winnen. Boussen lanceert in 1835 « lesconfréries contre le blasphème » of Bond tegen het vloeken 
GOD ZIET MIJ. HIER VLOEKT MEN NIET. Die prent gaat de wereld rond. In 2013 vonden wij nog in Zeeland een affiche van de ‘Bond tegen het vloeken’. Dit moet wel een van de laatste zijn geweest:  in 2012 besloot de Bond om zijn naam niet meer op de posters te vermelden omdat uit imago-onderzoek blijkt dat mensen de organisatie 'suf, achterhaald, extreem, dom en zielig' vinden.  Maar ondertussen heeft de symboliek die heel uitgekiend is twee eeuwen  standgehouden:  het oog – een vrouwelijk oog, van
de moeder van Boussen naar het schijnt – in de driehoek van de vrijmetselaars, de heilige geest die zich als een havik op de aarde stort, de onderste letters vlamrood.
10.000 personen worden lid van die bond  in Sint Salvators. In 1844 wordt in de Sint Gillis parochie gedurende een week gepreekt tegen het vloeken, en om zeker te zijn dat de armoezaaiers afkomen worden ze thuis bezocht in aanwezigheid van de weldadigheidsinstanties.
Boussen had nog een probleem. De Sint-Donaaskathedraal was als nationaal goed verkocht en gesloopt. De Sint-Salvatorkerk werd
O.-L.-Vrouwekerk en de Sint-Salvatorskerk
1580 Antoon Claeissens
officieel de Sint-Salvators- en Sint-Donaaskathedraal. Nochtans was het gebouw minder indrukwekkend dan de nabijgelegen Onze-Lieve-Vrouwekerk. 
Het heeft bijvoorbeeld geen luchtbogen maar wel zware steunberen.
Sint-Salvator moest dus aan zijn nieuwe status aangepast worden. Boussen betaalt persoonlijk een tegel op zes van een nieuwe vloer voor Sint Salvators.
Een voorstel om de toren te slopen en het schip van de kerk met drie traveeën te verlengen en met een nieuwe toren af te werken, ging niet door. En dan komt de goddelijke voorzienigheid Boussen ter hulp: een brand in 1839. Samen met de provinciegouverneur De Mûelenaere roept hij op die terug op te bouwen. Boussen profiteert van de heropbouw om het belfort naar de kroon te steken: de engelse ingenieur Chantrell zet bovenop de korte oorspronkelijke toren een stoere  romaanse burcht, een soort terras met kandelaars.
De oorspronkelijke versie van de toren vinden wij terug op een gravure van Sanderus alias Antoon Sanders een Ieperse kannunik, die in 1641 FLANDRIAILLUSTRATA uitgaf.
Na de dood van Boussen besluit Koninklijke Commissie voor Monumenten, zonder toelating van Chantrell, een spits op de toren te zetten, naar een ontwerp door architect E. Carpentier.
Camille Lemonnier schrijft in 1903: “le donjon chrétien aux lourdes assises carrées, flanqué d’échaugettes et de poivrières, et le sourcilleux colosse communal dardant ses flêches et ses pinacles, on l’air de symboliser les guerrières ardeurs du catholicisme, et les mâles insoumissions de la commune ».
En voor Charles Rodenbach  roepen de torens van Bruges-la-morte in 1892 : « Regardez-nous! Nous ne sommes que de la foi! Nous sommes des clochers militaires ». Bien vu. En weg met hem die God versmaadt.
In Luik werd – maar dan wat vroeger, in 1810 onder het concordaat, een toren gezet op de kerk van Sint Paul die een copie was van de Sint Lambertkatedraal, in dezelfde omstandigheden als Sint Donaas afgebroken. Met even weinig respect voor de oorspronkelijke bouwwerk - Sint Paul had een kleine toren die men terugvindt in een gravure van “ les Délices du pays de Liège”. De spits is recuperatie: ze werd teruggekocht van de zwart-goedopkoper die de abdij van Sint-Truiden afbrak. Op die manier gaf men in Luik aan Sint Paul het prestige van een katedraal.
Onze Kannunik Andries heeft dus niet allen België helpen op de kaart zetten; hij heeft ook zijn bischop geholpen om zijn katedraal de halletoren te overtreffen. Maar als je het mij vraagt, dan mag hij zijn straatnaam houden voor zijn wetenschappelijk werk rond het droogleggen van onder andere het Vrijgeweed. Voor wat de eigendomsrechten ervan betreft hebben we moeten op de nazis wachten die in 1940 waarschijnlijk minder scrupules hadden om middeleeuwse vrijgeweedtoestanden overboord te gooien, ondanks Bloed en Bodem…

Publicaties van Kannunik Andries

Projet de défrichement de la grande bruyère qui s'étend sur les communes de Ruddervoorde, Zwevezeele et Lichtervelde connue sous le nom de Vrij-geweid, Brugge, 1842.
Projet de défrichement de la grande bruyère qui s'étend sur les communes de Ruddervoorde,
Notice sur la grande bruyère flamande deBulscamp,  Brugge, 1864.
Recueil de documents tendant à résoudre la question de propriété des Gemeene- en Looweiden situées à Assebrouck et Oedelem-lez-Bruges, Brugge, 1879.