mercredi 11 décembre 2013

Valencia: een budgethotel in een paleis van de achttiende eeuw.

Innsa hostel c/baja
Net terug van een kleine citytrip van vijf dagen in Valencia. Paula had het budgethotel Innsa opgesnord, calle Baja. Ik groeide ook op in de Leegtestraat… Een budgethotel in een paleis van de achttiende eeuw. Een monument met hetzelfde niveau 1 van bescherming als de kathedraal van Valencia ! En met de achttiende eeuw doen de eigenaars Juan en Teresa een understatement: we logeerden in het huis van de schilder Juan de Juanes, de Raphael van Valencia . En hiermee zijn we in 1550 ! De straat noemde op dat moment wel de calle Caldedería.
Juan de Juanes inspireerde Dan Brown voor zijn Da Vinci code. Op zijn Laatste avondmaal (afkomstig van een kerk in Valencia en nu op een ereplaats in het Prado) staat de heilige graal (trouwens nog altijd te bezichtigen in de schatkamer van de katedraal). À propos: merk ook de rosse Judas (Juan de Juanes is niet de enige die rostekoppen naar de hel verwees).
 Santa Cena con María Magdalena?
Maar een paar Dan Brownfanaten hebben er zelfs een Maria Magdalena bij gefotoshopt. Let wel: de vervalsing is heel handig opgezet. Ze situeren het werk in de Kerk van SintPietersmartelaar (Iglesia Parroquial de San Pedro Mártir y San Nicolás Obispo) waar effectief vier schilderijen van Juan hangen.
Het hotel hangt trouwens vol met schilderijen (hedendaagse) .
Tot in 2011 was er de Casa Insa gehuisvest (het hotel noemt Innsa, met twee n). Het gebouw moet voor animatie gezorgd hebben in de wijk;  klik hier voor het laatste concert. Er moet een tentoonstellingsruimte geweest zijn en een ropería die kostuums verhuurde voor de  Fallas en het feest van Corpus Christi. In het museum van de Rocas, juist achter de hoek, c/ Roteros, 8,  kan men een aantal reuzen en processiewagens zien, de moeite waard (evenals het galliciaans restaurant l’Aplec vlakover N°9).
Op de binnenplaats van het hotel staat een schild en een rok die men kan aantrekken voor een foto. Een knipoogje naar de roperia waarvan de klerencollectie na desluiting gedeponeerd zijn in het Museu Valencià d'Etnologia.
Rocas muzeum
In de Calle Museo, vijftig meter van ons hotel, toont onze gastvrouw Teresa ons "La Gatera” of “Casa de los Gatos ", het kattenhuis. Dit huisje is een Calatrava waard. Een (kleine) azulejos ” A la memoria dels cuatre gats que quedaren al Barri del Carme l’any MXCIV. Mai se les va a sentir un mia mes alt que altre”. Ik vertaal dat als volgt : " Ter nagedachtenis van de enige vier katten die in 1094 in de Karmelietwijk overbleven. Nooit hoorden wij een miauw hoger dan de andere. " Een model kattengezin? In 1094 zouden volgens Teresa door een plaag alle katten van Valencia omgekomen zijn, behalve vier. Met als gevolg een
echte muizenplaag. Sedert 1094 zouden de buurtbewoners die vier katten verzorgd hebben. Een mooi verhaal, en een mooie azulejos. Maar wat gebeurde er in het jaar 1094? Googelman leert mij dat 1094 het jaar is van het beleg van Valencia door el Cid Campeador! Dat beleg duurde negen maanden, en de honger was zo erg dat bijna alle katten werden opgegeten (behalve dus die vier). 
Deze azulejo is geen duizend jaar oud. Wat kan die mens bezield hebben die dit tegeltje heeft laten maken, om daarin een verwijzing na te laten aan het beleg van de stad? Het is trouwens de enige toeristische referentie – als men dit monumentje van een halve meter hoog waar men als toerist zo voorbijloopt zo mag
noemen-  naar El Cid in Valencia, en dan moet je nog weten waarnaar dat jaartal verwijst! Over de Cid is in  1961 een film gemaakt die onze generatie begeesterde,  met Sophia Loren et Charlton Heston. In het duizendjarige historische epos CANTAR DE MIO CID van 1140 staan 130 referenties naar Valencia.
Je hebt Sophia Loren als de mooie Ximena waar je als toeristische dienst de hoofden op hol kunt laten slaan; je hebt een epos van de wereldliteratuur waar je stad honderddertig keer vernoemd wordt. En dan doe je daar niets mee. Integendeel, je steekt je tot over de oren in de schulden om aan een scheve architect totaal onfunctionele bouwsels neer te plaatsen, die op de koop toe bij de minste regen onder water lopen.
De dochters van El Cid
Om volledig te zijn vermeld ik het schilderij Las Hijas del Cid, in 1879 geschilderd door de lokale schilder  Ignacio PinazoMaar ik heb nog niet kunnen uitvissen waar hetzou kunnen hangen. Dus men doet daar ook niets mee. Wat trouwens geen enkel belang heeft aangezien het onderwerp « dochters van de Cid » enkel een aanleiding was om in het puriteinse Spanje twee naakten te schilderen.
Zou het dan kunnen dat Spanje problemen heeft met zijn verleden? Zou het kunnen dat El Cid Campeador na een milennium nog altijd geweerd wordt omdat hij in de feiten (en dat is natuurlijk niet wat de film vertelt), een collabo van de Moren was? Wat voor mij niets negatiefs heeft: al Andaluz was veel multicultureler dan vele huidige landen. Hij veroverde Valencia met de hulp van de emir van Zaragossa en de walis van Jàtiva, Murviedro et Denia. Hij bleef er aan de macht dank zij akkoorden met de taifas, de Moorse koninkrijken. En el Cid komt van de naam sidi die de muzelmannen hem gaven! Het is een wonder dat de Inquisitie zijn knoken niet heeft opgegraven om ze op een brandstapel te gooien. Ze hebben het met anderen voor veel minder gedaan.
Wat er ook van zij: deze situatie is hiermee rechtgezet; al wie MXCIV op de azulejos van het casa del Gats  weet hiermee dat dit het hongerjaar is van het beleg door el Cid Campeador. Ik besluit deze blog met de laatste verzen van “el cantar del mio cid »:
Pasó de este mundo el Cid, el que a Valencia ganó:
en días de Pascua ha muerto, Cristo le dé su perdón.
También perdone a nosotros, al justo y al pecador.
Éstas fueron las hazañas de Mío Cid Campeador:
en llegando a este lugar se ha acabado esta canción.
Zo verliet de Cid, die Valencia veroverde, deze wereld:
hij stierf op Pasen, moge Christus hem vergeven.
Zoals hij aan ons vergeeft en aan de rechtvaardige en aan de zondaar.
Dit zijn de heldendaden van el Cid Campeador:
En om hier uit te komen ben ik dit epos begonnen.
En zo ben ook ik, met mijn casa del gats, uitgekomen op el Cid Campeador, alias Rodrigo Díaz de Vivar . En ik wens hem zoals een kat negen levens toe.
in het fallasmuzeum

dimanche 15 septembre 2013

Kannunik Andries en Sint Salvators

Kannunik Joseph-Olivier Andries is geboren in mijn geboortedorp Ruddervoorde op 23 juni 1796 en was lid van het Nationaal Congres.
Via de eerste bisschop van Brugge Frans René Boussen en het boek “La révolution Belgique” van François-Michel van der MERSCH kwam ik in Sint Salvators terecht.
Andries was de zoon van notaris en burgemeester van Ruddervoorde Jan Andries. In 1830 werd hij voorgedragen en verkozen in het Nationaal Congres voor het arrondissement Eeklo. Na de goedkeuring in 1839 van het Verdrag der XXIV artikelen, waarbij Zeeuws-Vlaanderen naar Nederland werd overgeheveld, trok hij zich uit de politiek terug.
In 1863 zette hij zich in om in het kader van de strijd tegen de armoede een domein van 2300 ha te verkavelen onder kleine boeren in de streek van Ruddervoorde. Daarna hielp hij in de strijd voor het behoud van de historische eigendomsstructuur van de Gemene en Loweiden in Assebroek.
Maar ik wil het hier vooral  hebben over zijn job als penningmeester van de kerkfabriek Salvatorskathedraal. In juli 1841 werd hij door bisschop Boussen aan het werk gezet om de kathedraal “te herstellen” na een brand in 1839. Wij zullen zien hoe herstellen voor de neogotiekers een relatief begrip was…
Om de mentaliteit van Boussen te situeren, dit citaat: “La religion a obtenu la liberté et avec la liberté elle doit vaincre. Lorsque le catholicisme aura pris une véritable emprise en France et en Angleterre, la chère Belgique, destinée depuis longtemps par la Providence à devancer les autres nations, sera parvenu au point qu’elle se constituera catholiquement » (François-Michel van der MERSCH, La révolution Belgique, p.259)
Boussen
In 1834 werd het bisdom Brugge heropgericht. De Gentse hulpbisschop Frans René Boussen 
werd de nieuwe bisschop van Brugge. Hij startte een ambitieus programma om het in de revolutie verloren terrein terug te winnen. Boussen lanceert in 1835 « lesconfréries contre le blasphème » of Bond tegen het vloeken 
GOD ZIET MIJ. HIER VLOEKT MEN NIET. Die prent gaat de wereld rond. In 2013 vonden wij nog in Zeeland een affiche van de ‘Bond tegen het vloeken’. Dit moet wel een van de laatste zijn geweest:  in 2012 besloot de Bond om zijn naam niet meer op de posters te vermelden omdat uit imago-onderzoek blijkt dat mensen de organisatie 'suf, achterhaald, extreem, dom en zielig' vinden.  Maar ondertussen heeft de symboliek die heel uitgekiend is twee eeuwen  standgehouden:  het oog – een vrouwelijk oog, van
de moeder van Boussen naar het schijnt – in de driehoek van de vrijmetselaars, de heilige geest die zich als een havik op de aarde stort, de onderste letters vlamrood.
10.000 personen worden lid van die bond  in Sint Salvators. In 1844 wordt in de Sint Gillis parochie gedurende een week gepreekt tegen het vloeken, en om zeker te zijn dat de armoezaaiers afkomen worden ze thuis bezocht in aanwezigheid van de weldadigheidsinstanties.
Boussen had nog een probleem. De Sint-Donaaskathedraal was als nationaal goed verkocht en gesloopt. De Sint-Salvatorkerk werd
O.-L.-Vrouwekerk en de Sint-Salvatorskerk
1580 Antoon Claeissens
officieel de Sint-Salvators- en Sint-Donaaskathedraal. Nochtans was het gebouw minder indrukwekkend dan de nabijgelegen Onze-Lieve-Vrouwekerk. 
Het heeft bijvoorbeeld geen luchtbogen maar wel zware steunberen.
Sint-Salvator moest dus aan zijn nieuwe status aangepast worden. Boussen betaalt persoonlijk een tegel op zes van een nieuwe vloer voor Sint Salvators.
Een voorstel om de toren te slopen en het schip van de kerk met drie traveeën te verlengen en met een nieuwe toren af te werken, ging niet door. En dan komt de goddelijke voorzienigheid Boussen ter hulp: een brand in 1839. Samen met de provinciegouverneur De Mûelenaere roept hij op die terug op te bouwen. Boussen profiteert van de heropbouw om het belfort naar de kroon te steken: de engelse ingenieur Chantrell zet bovenop de korte oorspronkelijke toren een stoere  romaanse burcht, een soort terras met kandelaars.
De oorspronkelijke versie van de toren vinden wij terug op een gravure van Sanderus alias Antoon Sanders een Ieperse kannunik, die in 1641 FLANDRIAILLUSTRATA uitgaf.
Na de dood van Boussen besluit Koninklijke Commissie voor Monumenten, zonder toelating van Chantrell, een spits op de toren te zetten, naar een ontwerp door architect E. Carpentier.
Camille Lemonnier schrijft in 1903: “le donjon chrétien aux lourdes assises carrées, flanqué d’échaugettes et de poivrières, et le sourcilleux colosse communal dardant ses flêches et ses pinacles, on l’air de symboliser les guerrières ardeurs du catholicisme, et les mâles insoumissions de la commune ».
En voor Charles Rodenbach  roepen de torens van Bruges-la-morte in 1892 : « Regardez-nous! Nous ne sommes que de la foi! Nous sommes des clochers militaires ». Bien vu. En weg met hem die God versmaadt.
In Luik werd – maar dan wat vroeger, in 1810 onder het concordaat, een toren gezet op de kerk van Sint Paul die een copie was van de Sint Lambertkatedraal, in dezelfde omstandigheden als Sint Donaas afgebroken. Met even weinig respect voor de oorspronkelijke bouwwerk - Sint Paul had een kleine toren die men terugvindt in een gravure van “ les Délices du pays de Liège”. De spits is recuperatie: ze werd teruggekocht van de zwart-goedopkoper die de abdij van Sint-Truiden afbrak. Op die manier gaf men in Luik aan Sint Paul het prestige van een katedraal.
Onze Kannunik Andries heeft dus niet allen België helpen op de kaart zetten; hij heeft ook zijn bischop geholpen om zijn katedraal de halletoren te overtreffen. Maar als je het mij vraagt, dan mag hij zijn straatnaam houden voor zijn wetenschappelijk werk rond het droogleggen van onder andere het Vrijgeweed. Voor wat de eigendomsrechten ervan betreft hebben we moeten op de nazis wachten die in 1940 waarschijnlijk minder scrupules hadden om middeleeuwse vrijgeweedtoestanden overboord te gooien, ondanks Bloed en Bodem…

Publicaties van Kannunik Andries

Projet de défrichement de la grande bruyère qui s'étend sur les communes de Ruddervoorde, Zwevezeele et Lichtervelde connue sous le nom de Vrij-geweid, Brugge, 1842.
Projet de défrichement de la grande bruyère qui s'étend sur les communes de Ruddervoorde,
Notice sur la grande bruyère flamande deBulscamp,  Brugge, 1864.
Recueil de documents tendant à résoudre la question de propriété des Gemeene- en Looweiden situées à Assebrouck et Oedelem-lez-Bruges, Brugge, 1879.



dimanche 28 juillet 2013

Het kan niet op in Waterschei: Harmonic Fields, Heroes Of Labour, Mine Art 1, STEENRIJK, C-Mine, Hannover Suite

Onze fietsvakantie in Limburg (dank Jean Marie en Gerda voor de gastvrijheid) draaide rond de voormalige mijnsite van Waterschei. Wie er nog van wil genieten moet niet te lang wachten: Harmonic Fields bijvoorbeeld pakt zijn biezen al op  7 augustus.
Wij bezochten er Harmonic Fields in het Thor Park, twee keer zelfs. De artiest Pierre Sauvageot heeft er 500 instrumenten gemonteerd die uitsluitend bespeeld worden door de wind. Sauvageot wil alle grote winden van de wereld vangen. Om wat te doen ? Om grote winden te laten ? De dag van ons eerste bezoek heeft hij wel niets gevangen: windstilte en dus ook geen muziek. Oorspronkelijk ging Harmonic Fields boven op de terril komen. Maar dat is natuurgebied. En je moet natuurlijk ook de bezoekers naar boven krijgen… Men had misschien kunnen proberen de grote windturbine waarmee de mijn werd belucht terug te lanceren? In alle geval leek het project ons interessant genoeg om de dag erop terug te keren, met vier à vijf Beaufort. Het orgelpunt zijn de
ligstoelen in het violenpark. Nog tot 7 augustus. Op 22 augustus moet Sauvageot met zijn installatie in Helsinki zijn.
Sauvageot werkt niet alleen. Hij werkt met het collectief "Lieux publics" : een ploegje is voortdurend in de weer om die instrumenten te stemmen. Zo bijvoorbeeld die plasticbanden van 100 meter – het soort feuillard dat in de verpakkingsindustrie wordt gebruikt – die met een beetje wind in resonantie gaan.
Lieux Publics zijn eigenlijk artiestenresidenties in Marseille. Daar organiseren ze op 28 en 29 september 2013 de "Stars on stairs". Of hoe de trappen van het station van Saint Charles in Marseille afkomen op een "fantaisievolle en onvergetelijke wijze". Daarbij zal de trappenscène van Potemkin in het niets verzinken. Een  suggestie voor de montagne de Bueren in Luik?

Wij bezochten op dezelfde site de metershoge portrettenreeks (Fragment Heroes OfLabour) van honderd Oekraïense mijnwerkers. De portretten lichten in de pikdonkere ruimte op door bewegingssensoren. In 1935 slaagde de Oekraïense mijnwerker Stakhanov veertien keer meer dan het officieel voorgeschreven quotum kolen op te graven. De grootste Europese mijn werd naar hem vernoemd. Hier nam Kosorukov zijn portrettenreeks die hij in een indrukwekkende audiovisuele installatie verwerkte.
Een tentoonstelling wil vandaag geen informatie meer geven, maar wil de bezoeker onderdompelen in een bepaalde sfeer. Heel dikwijls is de inhoud heel magertjes. Maar installaties zoals die Heroes of Labour verzoenen mij met deze trend. Kosokurov heeft iets te vertellen. Er is een videoportret van een vrouw die als lid van het precariaat soms in een trein voor een paar centen de Internationale zingt. In videoinstallatie zien we het einde van de shift in de Stakhanov-mijn: een knipoog naar de eerste film uit de geschiedenis van de broers Lumière “La Sortie des usines Lumière à Lyon”. 
Kosokurov: “het wereldwijde machtsevenwicht dat ooit – toen langs weerszijden gestreden werd voor het morele overwicht en een zekere mate van sociale rechtvaardigheid in de kapitalistische maatschappij overeind hield – kantelde met het einde van het sociale systeem in de Sovjet-Unie. Bruut kapitalisme werd toen op het niets vermoedende wereldtoneel losgelaten. Ik putte voor mijn project uit een bijna mythologische geschiedenis toen de waarde van de arbeid zijn hoogtepunt kende. Met deze elementen wil ik een bijna archaïsche Tempel voor de Arbeid maken, een buitenissig grote installatie, die eindigt met vraagtekens, eerder dan met antwoorden. Deze elementen hebben voor Genk een extra dimensie gekregen met de aangekondigde sluiting van Ford.
De Sovjetheld Stakhanov verscheen met zijn portret op de cover van Time Magazine. Het was de eerste keer dat een arbeider voor zijn werkprestaties wereldwijde faam verwierf”.
In hetzelfde gebouw is er ook Mine Art 1: een nogal bleke verlenging van Manifesta 2012 met een heterogene kollektie kunstwerken van alle soort. Ik apprecieerde een reeks  fotos rond de nog bestaande hanenclubs in Vlaams-Brabant en Limburg. Deze foto’s waren reeds te zien op de tentoonstelling ‘t Kiekenkot in het Casino van Beringen eerder dit jaar.
En dan is er nog het wandelpad STEENRIJK. Het Designerscollectief ‘HET LABO’  (design met een knipoog, gespecialiseerd in projecten in de openbare ruimte) bespeelt het thema van de kleine stapeltjes natuursteen, die op elkaar gelegd om te dienen als richtingaanwijzer op een wandelpad. Men is er werkelijk in geslaagd de wandelaars te verleiden om mee te bouwen. Werkelijk a work in progress ! Ik weet niet wat Genk betaald heeft voor Steenrijk, en een goed idee verdient ook wel wat, maar materieel gezien heeft steenrijk niet meer gekost dan het aanvoeren van een camion stenen.
En tenslotte ben ik nog met Luc in C-Mine de tentoonstelling Hanover Suite / Message to Youth van de kunstenaar Ives Maes gaan bekijken. De expo focust op het Nederlands paviljoen voor de expo van Hannover in 2000. Op zichzelf een interessant gegeven: dit paviljoen was in 2000 een ikoon. Met de stapeling van vijf verschillende landschappen moest dit ecologisch toonpaviljoen een voorbeeld zijn hoe ruimte efficiënt kan gebruikt worden. De derde verdieping was een bos waarvan de stammen dienst deden als draagconstructie voor de bovengelegen verdieping. Een verdieping lager zaten de wortels van deze bomen in enorme betonnen potten. Op de eerste verdieping werden chrysanten geteeld, waarmee een alternatief getoond werd voor de gebruikelijke kassenteelt. Tenslotte kwam men terug op de begane grond, met een betonnen
duinlandschap. Men wilde zelfs het Nederlandse paviljoen na afloop van de tentoonstelling overeind laten zoals de Eiffeltoren. Maar de tentoonstelling was een flop op alle gebied, ook financiëel. Ik heb Hannover nog gebruikt als tegenargument voor de Expo 2017 in Luik. De tentoonstelling in C-Mine geeft enkel de huidige teloorgang weer en situeert nergens dit gebouw in zijn contekst. Spijtig, want deze ruïne is vandaag een monument van de bling bling cultuur…
En als afsluitertje  de waterburcht in Millen. Een intelligent gerestaureerd gebouw, met zelfs een klein museum erbij. Een knap terras. Een aanrader voor de familie Hertogen die hun tante Trui nu in een home in Millen moeten bezoeken. Ik las er o.a. dat de centrale toren onderaan geen deur had: die is er veel later in uitgehouwen. Zij kropen via een ladder omhoog, die zo nodig kon binnengetrokken worden. En ik die dacht dat die manier om zich te verdedigen typisch was voor de Strangford Loch in Noord Ierland…


mercredi 29 mai 2013

De tuinen van Madrid

Als Paula en ik een stad bezoeken staan de tuinen en parken steevast op ons programma. In Madrid zijn verschillende wereldtoppers. Een ervan is de  verticale tuin van Patrick Blanc aan het Caixa Forum. Een project dat bijna de aandacht afleidt van het Caixagebouw ontworpen door Herzog & de Meuron. Herzog heeft een oud bakstenen industriële complex van de grond getild om een plein te creëren; bovenop heeft hij een stalen, roestig uitziende, constructie geplaatst. Blanc heeft op een 24 meter hoge muur van het gebouw ervoor een tuin aangelegd. Door middel van een beregeningsinstallatie in gesloten circuit krijgen de planten ook meststoffen toegediend. Hij legt dergelijke tuinen aan zowat overal in dewereld en verkoopt zijn gebrevetteerde formules goed. Maar het is ook een wetenschapper van hoog niveau, van het Centre National de la Recherche Scientifique in Parijs. Hij merkte op basis van jaren observatie van de plantengroei op rotswanden dat planten niet noodzakelijk aarde nodig hadden om zich te ontwikkelen. Het bewijs is dat er een heleboel planten groeien op rotsen, hellingen en andere droge gebieden. Ze leven dankzij een minimum aan water en licht. In 1994 presenteert hij in Chaumont – een jaarlijks tuinfestival dat de moeite waard is- zijn eerste verticale tuin. Wij zagen die daar jaren later in een stralende gezondheid.  In een interview – in zijn slecht Engels – legt hij zijn principes uit.
Een tweede topper is de tropische binnentuin van het station van Atocha: 4 000 m² met 7 000 planten en metershoge palmen en een originele schildpadvijver waar een treinreiziger van wie de trein te laat is kan komen onthaasten.  Het gebouw - een meesterwerk van de stationsarchitectuur in ijzer van 1892 - is van Alberto de Palacio y Elissague, een leerling van Eiffel. In 1985 werd het station gerenoveerd: het nieuwe station, het grootste van Spanje, heel sober en efficiënt, werd tegen het vroegere station gebouwd.  In 2004 verloren hier bij een terroristische aanslag bijna 200 mensen het leven.
Alberto de Palacio y Elissague was ook de architect van het Retiropark vlakbij, een andere tuin van wereldklasse. De historische tuin Parque del Retiro werd aangelegd in 1630 voor Philips IV  (diezelfde die zijn zilvervloot verloor aan Piet Hein). Vier eeuwen later zijn die 130 ha een trekpleister voor de lokale bevolking en de toerist. Wij zagen er honderden Madrilenen aan collectieve gymnastiek doen. Er is een grote vijver met het ruiterstandbeeld van Alfonso XII, van Mariano Benlliure, (hier aan het werk) . Wij bezochten
goya door Benlliure
in de Real Academia de Bellas Artes de San Fernando (gratis, nog tot 30 juni 2013) een tentoonstelling van die kunstenaar. Benlliure is een meester in het weergeven van kleine details
Voor mij is zijn meesterwerk ‘El encierro’. 
De Palaciode Cristal in het Retiro - een kopie van het Crystal Palace uit Londen, evenals de serres van Laken - was spijtig genoeg tijdelijk dicht.  In het park zijn verder verschillende tuinen waaronder la Rosaleda en  de Jardines de Cecilio Rodriquez met zijn pauwen.
Vlak erbij is de koninklijke botanische tuin. Die is betalend en zoals vele botanische tuinen minder interessant behalve voor plantenspotters.  De dahlia kwam hier uit Mexico aan in 1788. Als ooit in Europa alle exoten worden verbannen zullen onze tuinen er heel eentonig uitzien…
Aan de noordzijde van het Palacio, calle Bailén, boven de Campo del Moro, zijn de strakke Jardines de Sabatini een bezoekje waard. Vandaar kom je na ongeveer een kilometer stappen langs een halve autostrade, de Paseo de la Virgen del Puerto, aan de ingang van de Campo del Moro. Deze tuin van twintig hectare behoorde ooit tot het Koninklijk paleis en is op zichzelf meer als de moeite waard. Maar die mooie tuin is niet meer toegankelijk vanuit het Paleis, en zelfs niet vanuit de zijingangen. Er blijft slechts een enkele ingang ver weg van het Paleis, vlak langs een halve autostrade. Een deel van de tuin is trouwens opgeofferd aan koning auto, alomtegenwoordig en dominant aanwezig in Madrid.
Muralla  arabe
De naam ‘Campo del Moro’ slaat terug op een kamp waar de Moren legerden in de  9e eeuw. De Emir vanCordoba Mohammed I bouwde er een fort aan de oevers van de Manzanares. De Moorse muur (Muralla árabe) langs de Almudenakatedraal  is slecht herontdekt in 1950 en onmiddellijk Monumento Nacional werd uitgeroepen. Langs die muur is het mooie Parque del Emir Mohamed 1 aangelegd, een beetje weggestoken door een viervaksbaan die ervoor passeert. Het parkje is slecht in het weekend open. Alhoewel men niet kan zeggen dat Spanje zijn Moorse verleden in de verf zet – ik heb moeten zoeken naar referenties van die Moorse muur op google -  heeft Madrid wel een paar geldige excuses. Madrid is lang slechts een militair steunpunt geweest – die Muralla árabe moest het dorp rond het Alcazar beschermen - en het is slechts onder Keizer Karel dat het uitgegroeid is tot een stad.  
In 1047 verovert Koning Ferdinand van Castilië voor het eerst Madrid, maar de plaats interesseerde hem niet en hij gaf die  in leen aan de Moorse koning van Toledo. El Cid werd onterfd en verbannen omdat hij in 1081 Toledo had aangevallen voor eigen rekening. Hij vocht bijna een decennium voor Zaragoza Al-Mu'tamin die hij een groot christelijk leger onder Koning Sancho Ramírez van Aragón hielp verslaan.
De kleinzoon van Ferdinand, Alfonso VI, veroverde Toledo in 1085. Maar in 1109 nog werd Madrid verwoest door de Moorse koning Tesufin. De moslims werden slechts verjaagd uit Madrid  in 1132. Het is slechts onder Karel V dat Madrid de titel "Koning- en keizerstad" krijgt. Hij begon met de verbouwing van de oude Arabische vesting tot wat vandaag het Palacio Real geworden is. In 1561 slechts verlaat Filips II Toledo en maakte van Madrid de nieuwe hoofdstad van Spanje. Maar rond het eerste millennium was Madrid slechts een militair steunpunt dat zelfs niet permanent bezet was en het is dus te verontschuldigen dat het Parque del Emir Mohamed 1 wat in de schaduw blijft.
In 1561 kocht Philips II - de enige wettige zoon van keizer Karel V - het Casa de Campo als jachtgebied. Het is nog altijd een groene gordel op de flanken van de Manzanares. Een deel ervan groeide uit tot de koninklijke tuinen van de Campo de Moro. Vlak erlangs begint het Parque de l´Oeste met de Templo de Debod, een Egyptische tempel uit de derde eeuw voor Christus, waar men met hele bussen tegelijk komt genieten van een mooie zonsondergang. Een beetje opgepept door Isis, Osiris, Horus en andere zonneaanbidders (hier in casu de ondergaande zon). En op de rand van het politiek korrekte: Spanje kreeg deze tempel als ‘beloning’ voor zijn hulp bij het redden van de tempels die onder water werden gezet door de Assoeandam. 
casa campo
Aan de Paseo Pintor Rosales bovenaan het park vind je terrasjes, waar het leuk zitten is tussen de Madrileense families, die hier vooral in het weekend en op warme zomeravonden een drankje komen doen. 
Aan de overkant van de Manzanares ligt het Casa de Campo. Het is een publiek park van 17 km², eigenlijk een vrij woeste vlakte. Men kan er naartoe met een kabelbaan. Deze vrij recente constructie (1969) is 2,5 km lang. Aan het eindstation is een terras en een speeltuintje. Op de Casa de Campo is ook een een attractiepark met achtbanen, een dierentuin, een meer, een openluchtzwembad en verschillende uitgaansgelegenheden maar die zijn vanuit de Téléférico niet direct bereikbaar.
De kabelbaan is wel de moeite voor het uniek uitzicht op het Palacio Real en de rivier de Manzanares, die voor de rest de stad de rug toekeert. Het Casa deCampo was ook drie jaar een slagveld, maar daar zijn ze in Spanje nogal discreet over. Er moeten nog loopgraven en bunkers zijn, maar ik heb die van boven uit niet opgemerkt. Op 6 november bereikten de nationalisten onder leiding van generaal Franco de buitenwijken
casa campo
van Madrid. Franco richtte de e hoofdaanval op Casa del Campo, om van daaruit de Manzanares over te steken en naar het centrum door te steken. Generaal Mola zou in vier colonnes oprukken en rekende op de hulp van de 'Vijfde Colonne', van in de stad opgesloten nationalisten. De 20.000 franquisten, waarvan 10.000 elitetroepen, vonden de 
Internationale Brigades op hun weg. Pas op 19 november slaagden de nationalisten onder bescherming van hevig artillerievuur erin om een opening naar de universiteitsstad te forceren. De strijd hield nog enkele weken aan, maar in feite was een patstelling bereikt. Franco verlegde  zijn aandacht naar  Baskenland en Asturië, die rijk waren aan grondstoffen benodigd voor oorlogvoering. Ondertussen bleven de twee kampen mekaar beschieten in het Casa del Campo.
De oever van rivier de Manzanares was lange tijd een beetje vergeten, maar een gedeelte van de ringweg rond Madrid die hier langs raasde, ging ondergronds. Die ringweg is voor Antwerpse actievoerders een
alternatief model voor de lange wapper. Hiermee kwam er langs de rivier een 10 kilometer ´groene zone´ vrij, met Madrids eerste stadsstrand. Vandaar dus Madrid Rio.Hier kun je in ondiep water spetteren tussen fonteinen of iets drinken op het terras. Het zag er ons toch niet zo aantrekkelijk uit en wat verlaten. Om er te geraken moet je een viervaksbaan over, en dat nieuwe park is tien kilometer lang, wat voor ons oude benen wat te veel leek. Maar wie daar even wil gaan zien kan dat via de Metro: Príncipe Pío, Puerta del Ángel Madrid Río (noordelijk gedeelte), Pirámides, Marqués de Vadillo, Madrid Río (middengedeelte),  Legazpi, Almendrales (zuidelijk gedeelte). Laat ons iets weten!

En dan zijn er nog een paar tuintjes waar wij niet meer zijn geraakt. Schuin tegenover Plaza Castilla bevindt
zich het complex van Canal Isabel II, Madrid´s waterbedrijf. Boven op de waterdepostito´s is een park aangelegd, het Parque Canal Isabel II. Volgens tripadvisor bieden pergola´s fijne schaduw in de Madrileense zomers, een waterlabyrint biedt verfrissing en de rozentuin is gewoon mooi. Madrid heeft dus vlak in het centrum een fameuze groene long. Wie ooit Madrid Rio gaat verkennen mag mij iets laten weten… 

samedi 12 janvier 2013

de naam Hertogen en Maastricht: twee heren, twee statuten

kanunnik kapittel Sint Servaas

Ik ben (gelukkig) getrouwd met een Hertogen. ‘Hertogen’ heeft alles te maken met Maastricht dat, zoals wij weten, maar op een boogscheut van Riemst ligt, waar bonpa Hertogen geboren is. Maastricht had niet alleen twee heren: de hertog van Brabant en de prinsbischop van Luik. De burgers van Maastricht moesten ook kiezen voor het statuut van Luik of van Brabant. Op juridisch, familiaal en fiscaal gebied bestond er een ingewikkeld stelsel, waarbij de inwoners konden of moesten kiezen tussen de Luikse en de Brabantse regels. Ook de openbare ambten in de stad werden verdeeld tussen de beide groepen. En ze hadden ook hun eigen kerk:  de “Prinsen” hadden de Sint Servaaskerk die als rijksvrije kapittelkerk binnen de wallen der stad een politieke enclave vormde, onafhankelijk van de stedelijke magistraat, en die rechtstreeks onder het gezag stond van paus en keizer. En de Hertogen hadden de Onze-Lieve-Vrouweparochie
plundering Maastricht 1576
De naam Hertogen slaat dus op mensen die voor het Brabants statuut gekozen hebben.
Napoleon heeft deze middeleeuwse toestanden in de vuilnisbak van de geschiedenis gekiept. Maar misschien willen sommigen in die vuilniscontainer duiken om een oplossing uit te dokteren voor Brussel?  De Wever zou een sabbatjaar moeten nemen om al die finesses van de middeleeuwse toestanden te bestuderen. Misschien ligt daar een oplossing naar zijn tand voor Brussel. 

lundi 10 décembre 2012

Hendrik Conscience leerde zijn volk bastaardvlaams lezen

Hendrik Conscience leerde zijn volk bastaardvlaams lezen

Ensor  Slag der Gulden Sporen 1898 MSK Gent
Ik ben al een paar jaar gegevens aan het sprokkelen over de Gulden Sporen. De discussie in Antwerpen over Pieter De Coninck en Hendrik Conscience spoorde mij ertoe aan om wat ik al had over Hendrik Conscience op een rijtje te zetten.
Bart DeWever bezingt Hendrik Conscience als grondlegger van ‘de Vlaamse identiteit'. Onlangs haalde zowaar  zijn goedendag boven, naar aanleiding van een voorstel om het Pieter De Coninck in A’pen te herdopen:  ‘Als mensen uit de literaire wereld Pieter De Coninck bestempelen als “maar” een romanfiguur om een politiek punt te scoren, tja, waar zijn ze dan mee bezig? Een van de domste dingen die ik in jaren heb gehoord.'
Tom Lanoye diende hem van antwoord:  “Conscience  was oprichter van het dagblad Vlaams België . Niet direct een slogan voor de volgende IJzerbedevaart. Conscience kreeg een Belgische staatsbegrafenis en rechtstreekse subsidie van koning Leopold I. De leeuw van Vlaanderen  van Hugo Claus leek misschien op een slechte aflevering van Monty Python . Maar veel meer viel er niet te maken van die hele Leeuw van Vlaanderen. Historisch gesproken is dat zeer zeker een mijlpaal, maar een groot leessucces zie ik het niet worden bij de twitterjeugd, van om het even welke politieke strekking. Daarvoor is het literair gesproken — ik zal mij respectvol uitdrukken — een hallucinant lachwekkend kutboek” (Ds 04 december 2012).
Lanoye eindigt op een verzoenende noot: “herdoop dat plein in ‘Het Brouwerij De Coninck'-plein. Met de sponsorgelden die dat oplevert kunnen de sociale restaurants van 't Stad misschien alsnog worden uitgebreid in plaats van koudweg opgedoekt”.

Conscience  leerde zijn volk bastaardvlaams lezen, letterlijk vertaald uit het frans.  

Die column van Tom Lanoye was voor mij aanleiding om die subsidies van Leopold I even uit te spitten. Hendrik Conscience werd betaald door onze eerste koning om het  Belgisch nationaal gevoel op te peppen. Een nationaal gevoel dat nota bene practisch vanuit nul moest worden opgebouwd. Hetprinsbisdom Luik   bijvoorbeeld was pas opgedoekt in 1789 en behoorde sedert 843 tot het Heilig Roomse Germaanse Rijk. Luik maakte tot 1815 vrij enthoesiast deel uit van de Franse Republiek en John Cockerill was in 1830 Orangist. En op de eerste dagen van de Brabantse Omwenteling zong men de Marseillaise en wapperde de franse vlag.
Leopold I maakte van elk hout pijlen. Om de vlamingen mee te krijgen was een halve franstalige als Conscience meer als genoeg. Conscience  leerde zijn volk bastaardvlaams lezen, letterlijk vertaald uit het frans.  Op de titelpagina van zijn ‘Leeuw van Vlaanderen’ staat 'Bruges', en français dans le texte!
Het Nederlands van Conscience lijkt bombastisch; het is het niet wanneer men het in het frans vertaalt. Conscience dacht in het frans. Hierbij een paar citaten uit de leeuw van vlaanderen. 
"De ridder die door de bewoners van Wijnendale uit beleefdheid of medelijden ingelaten werd, bevond zich eerst in een vierkante plaats onder de blauwe hemel. Op de rechterzijde zag hij stallen waarin honderd paarden zonder hinder mochten staan; hierbij de mesthopen met ontellijke azende duiven en eenden overdekt".
In het Frans klinkt dat veel beter: "Le chevalier que les habitants de Wijnendale avaient laissé entrer par politesse ou compassion, se trouvait d’abord dans un espace carré sous le ciel bleu. Sur le côté droit il voyait des étables où cent chevaux pouvaient se trouver sans gène; tout près les tas de fumier couvert d’innombrables pigeons et canards picorants".
En ik kan zo verder gaan:
Op de linkerzijde het gebouw waarin de wapenlieden en trosknapen hun huizing hadden, verder in het verschiet lagen de stormtuigen die men in de krijg voerde”.
« A gauche du bâtiment le bâtiment où les soldats et pages avaient leur gîte, plus loin les engins de siège qu’on utilisait dans la guerre ».
Zijn woordenschat komt uit het frans. De beukelaar bijvoorbeeld: “Grote slagzwaarden hingen ook aan hun zadels, en de schildknapen voerden grote beukelaars achter hun meesters”. 
Beukelaer is misschien middeleeuws vlaemsch, maar  De Beukelaer denkt er in 1926 zelfs niet meer aan zijn koekjes Prince een beukelaar in zijn pollen te stoppen, maar‘bouclier’ is nog altijd modern frans.
la mangonie in Luik
En dan is er maceclier: “Deconinck aan het hoofd der wevers had zijn rechtervleugel tegen de Eiermarkt gevestigd, Breydel met het ambacht der Macecliers stond tegen de zijde der Steenstraat” . Onbekend in de dikke Van Dale. Wel in de Dictionnaire du Moyen Français:  MACECLIER, "Boucher" . Met zelfs een citaat uit JEAN D'OUTREMEUSE : “Et tous les mascliers vinrent acourant au hahay. ...se uns maskelier at achateit porc ou vaiche ou buef por ochier, et varlet de cleirs ou de citain le wet avoir, ilh doit donneir à maskelier tant de souls ou de deniers que la bieste auroit esteit achateie. " Ik dacht wel dat men in het middeleeuwse Luik een beenhouwer ‘mangon’ noemde. Wij hebben nog altijd la mangonie ou ‘halles des viandes’. Ik kan voorstellen die te herdopen in halle des maskeliers… "Massacre" avait le sens de boucherie au Moyen Age et le métier de boucher était désigné par les mots maceclier ou macecrier.

Vader Pierre Conscience, stuurman op de vloot van Napoleon, republikein in hart en nieren

Pierre Conscience was gevangene op een ponton
Volgens hetbiographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde van  1888 ging Conscience zich “in het Fransch volleeren te Antwerpen”. In het Fransch volleeren? Hij had een franse vader! Pierre Conscience was stuurman geweest in de keizerlijke marine, op het schip Ville de Bordeaux. De Engelsen hadden hem gevangen genomen en vastgezet op diefameuze pontons. Hij geraakte vrij bij een gevangenenruil en kreeg in A’pen een job als meestergast op een scheepswerf die voor Napoleon boten bouwde voor de ontscheping in Engeland (“een pistool, gericht op het hart van Engeland"). Na Waterlo werd Pierre Conscience er afgedankt en verdiende zijn brood met de verkoop van scheepswrakken (waarschijnlijk de landingsschepen die hij zelf had helpen bouwen). Hendrik was dus van Franse afkomst. Zijn vader was waarschijnlijk een overtuigd republikein. Hoe komt onze brave Hendrik dan in het jonge Belgische leger terecht? Zoals zoveel andere Franse republikeinse ballingen die zich in het jonge belgische leger aanmelden om wraak te nemen?  "Bij het ontstaan der omwenteling van 1830 liet de onbedachte jongeling zich door eenen strijdlustigen Brusselaar overhalen om de wapens op te vatten. Den 28 September 1830 teekende hij als vrijwilliger eene dienstverbintenis voor vijf jaren. Bij zijne wederkomst te Antwerpen, besteedde hij al zijne krachten om van Fransch rijmelaar, die hij was, nationaal volksschrijver te worden. Echter had hij in zijne literarische loopbaan met den meesten tegenspoed te worstelen. Daar hij geene middelen van bestaan had, bezorgde zijn vriend, de beroemde kunstschilder Gustaaf Wappers, hem eene plaats van vertaler bij het provinciaal bestuur; doch om reden zijner Vlaamschgezindheid, was hij spoedig verplicht van dit ambt af te zien. Uit nood werd hij toen hovenier; maar zijne lettergewrochten verwierven dan reeds zooveel bijval, dat het Wappers, die Bestuurder van Antwerpens Academie werd, gelukte, hem op 6 November 1841 tot zijn griffier te doen benoemen. Ook in dit ambt ontmoette de vaderlandsche schrijver allerlei tegenkantingen. Nadat zijn beschermer Wappers van het bestuur der kunstschool had moeten afzien, gaf ook Conscience zijn ontslag op 3 Februari 1854. Het was eene droeve tijding voor de Vlaamsche kunststad Antwerpen, toen het Staatsbestuur den uitstekenden schrijver op 6 Januari 1857 benoemde tot arrondissement-commissaris te Kortrijk. In die afgelegen en eenzame grensstad leefde Conscience, tot hij op 10 September 1868 werd aangesteld als bewaarder der koninklijke museums van schilder- en beeldhouwkunst te Brussel".

een Calimero verhaal

Dit is een Calimero verhaal. De Wever heeft de Calimerotechniek niet uitgevonden. In de Vlaamse mythiek wordt deze pennelikker van Pol I een arme schrijver. Vermeylen doetdaar ook aan mee. "Conscience was 26 jaar. Zijn eerste twee pogingen, Het Wonderjaar en Phantazij , waren niet bijster gelukkig geweest. aan zijn eigen overgeleverd, zat hij van negen tot vier als vertaler in het provinciebestuur, voor een wedde van 40 fr. in de maand, en schreef 's avonds en 's nachts aan zijn boek. Toen echter de eerste twee delen klaar waren, had de onafgebroken arbeid hem uitgeput. Hij liet zijn schamele betrekking varen en werd opgenomen door zijn vriend De Laet, wiens kamer hij delen mocht. Daar kon hij zijn werk voltooien; op het eind van 1838 verscheen De Leeuw van Vlaanderen” .
Conscience begon te schrijven in het Frans maar verkocht niet. Zo switchte hij naar het vlaams. En zonder steun van Leopold en de tsjeven had hij nog niet verkocht. Conscience beschrijft dit in een brief aan G. Eekhoud, brief die wij verder trouwens nog uitvoerig citeren. De beroemde kunstschilder en vriend- mecenas Gustaaf Wappers raadt hem aan kanunnik Van Hemel, superior van het Mechelse kleinseminarie, te contacteren en water in zijn Wonderjaarwijn te doen om de kerk niet te schofferen. De kannunik valt direct met de deur in huis: “wat zoudt ge hiervan zeggen – als dit aan de oren van uw familie kwam, van uw schoonfamilie, om van uw vrouw nog maar te zwijgen?’ Hij las een uittreksel zangspel uit de franstalige periode van Conscience: ‘Satan conuerti, ou plus d’enfer, waarin Satan zegt: “J’ai fait l’amour à des nonnettes / Fraiches comme les fleurs des champs, / Elles disaient: Beau diable, faites, / Mais ne nous faites pas d’enfants.’ ” Conscience valt achterover van verbazing. ‘Ik weet het,’ vervolgde de kanunnik, ‘gij waart soldaat en het was allemaal niet serieus bedoeld.’ ‘Hoe komt ge daaraan? Het is nooit gedrukt,’ stamelde Conscience. ‘Verba volant, scripta manent,’ zei hij, met een zwaar Frans accent. ‘Wat is geschreven, blijft bestaan. En wordt overgeschreven. En nog eens. Tot het op ons bureau ligt. Een priester moet veel weten, juist gelijk een schrijver."
De boeken van Conscience werden toegejuicht maar zelden gekocht, tot de bestellingen van katolieke en staatsbibliotheken hem een zekere financiele onafhankelijkheid gaven. In 1845 werd Hendrik ridder in de Orde van Leopold en publiceerde hij zijn Geschiedenis van België. Ook de eerste vertalingen kwamen uit.
Wikisourcegeeft ons nog een paar andere bronnen van inkomsten« Professeur agrégé à l’université de Gand, membre de l’institut de Leyde, chargé d’enseigner aux enfans du roi Léopold la langue et la littérature flamandes, l’auteur du Lion de Flandre et de l’Histoire de Belgique peut désormais se livrer sans peine à son inspiration ».

Wappers, de kultuurpaus van Leopold I

Ensor België in 1889
Wij komen verder op die chantage terug. Maar eerst even checken wie die vriend Wappers is die hem een kostum leende om hemaan Leopold I voor te stellen. De koning had op dat moment trouwens al ‘het Wonderjaar’ voor iedere bibliotheek van zijn jong koninkrijk doen kopen. ‘Fantasy’  kwam uit in 1837 onder patronage van Leopold I. Een kleine job bij de provinciale archieven verzekerde hem regelmatige inkomsten en in 1838 gaf hij zijn Leeuw van Vlaanderen uit, gevolgd door Jacob van Artevelde (1849) en de Loteling (1850).
Wie was die Gustaaf Wappers die hem een plaats van vertaler bezorgde? Wappers was de 'cultuurpaus' van Leopold I. Hij was een niet onderdienstelijk schilder die zich inspireerde op Eugène Delacroix, een van de grote schilders van de Franse revolutie. Nu spreekt men over Art pompier omdat men zich moeilijk nog kan inleven in die revolutionaire periode. De nieuwe Belgische regering bestelde in 1835 de "Episode van de Septemberdagen van de Belgische Revolutie van 1830." Hij kreeg de opdracht de staat te verheerlijken en benadrukte dit door de Belgische driekleur centraal te plaatsen. Een van de sleutelfiguren van Leopold I, Generaal baron Pierre Emmanuel Félix Chazal staat er ook op, links op een paard. Het is de Belgische versie van “La liberté guidant le peuple” van Delacroix. Hier is het niet de vrijheid die het volk leidt, maar Chazal….
Wappers en Boccacio:ook dat is vlaamse identiteit
Na het succes van de "Episode", werd Wappers hofschilder van Leopold I. In 1840 volgt hij de overleden directeur van de Antwerpse Academie Mathieu van Bree op.
Hij rondt in 1853 zijn succesvolle carrière als portretschilder af in de schaduw van de keizerlijke familie. Daar kan hij het zich permitteren "Boccaccio leest koningin Johanna van Napels de Decamerone voor." te schilderen (te zien in de Bozar).

Waarom interesseerde Leopold I zich aan Conscience ? 

Zelf protestant maar chef van een revolutie dietegen het protestants overwicht van Holland gericht was, moest de koning op eieren lopen met zijn klerus, die hem schoorvoetend aanvaard had om te ontsnappen aan een nog groter gevaar: de Franse invloeden. Iedere verkeerde stap van die koning ketter kon slecht worden geinterpreteerd. Heeft zich in alle bochten moeten wringen om de klerikalen niet tegen het hoofd te stoten. Grote gymnastiek, zowel van de kant van Leopold als van Conscience. Het wonderjaar 1566 was een heikel thema. Ik reserveer dit voor een volgende blog. Hierbij toch een klein voorproefje, dat moet goesting geven om zo  snel mogelijk dit boek te lezen. De onsterfelijke (because academie française) Saint-René Taillandier   vat het dilemma van Conscience en Pol deeerste als volgt samen : de Spanjaarden van Alva zijn zeker antipatiek; maar spreiden de Belgen door  die te bevechten niet het bed voor het  protestantisme?  "Dans l’Année des Miracles (Wonderjaer) Conscience veut exalter le patriotisme et défendre en même temps la vieille religion du pays. Il choisit une époque où les conquérans de la Flandre sont aussi les soldats du catholicisme. Les Espagnols du duc d’Albe sont certainement bien odieux; cependant, en frappant l’ennemi, les Belges feront-ils cause commune avec le protestantisme? Vont-ils confondre dans une même haine les bandes insolentes de l’Espagne et les institutions catholiques? Telle est l’inquiétude du conteur, telle est la grave et tendre inspiration de son récit. Quand la révolte éclate, les émeutes sont décrites avec vigueur, et le ravage des églises par les hérétiques fournit au conteur d’admirables épisodes. Je crains que la théocratie belge, s’emparant du jeune écrivain, ne défigure bientôt les naïves inspirations de son ame ».
Saint-René Taillandier maakte zich in 1848 zorgen omdat de belgische theocratie dit pril talent zou verminken. Dit is geen paranoia als men ziet welk potje er onze ‘historicus’ Bart Dewever 150 jaar later van maakt. Die schreef over dat Wonderjaar: “Wat in het collectief geheugen overblijft, is niet het belastingconflict, maar wel de heroïsche strijd van een onderdrukt en verpauperd volk tegen de vreemde overheerser. Het beeld dat ons uit romans van Hendrik Conscience (onze belangrijkste schrijver die gisteren onder zeer bescheiden belangstelling 200 kaarsjes uitblies), Charles de Coster en Louis Paul Boon werd overgeleverd. Niets dat zo hard in het collectief geheugen blijft hangen als de militaire repressie van een hongeroproer van de onderklasse. Veel meer dan de basis van zo'n historische omwenteling die vooraf wordt gelegd door de ondernemende middenklasse(Ds 4 december 2012).  Bart, het is niet omdat ge voor Voka rijdt dat ge de Geuzenopstand moogt herleiden tot een opstand van de ondernemende middenklasse!
Conscience en Leopold I moeten dus koorddansen op een slappe koord  en de kool en de geit sparen. Henri Conscience, ‘Conservateur des Musées Royaux des Beaux-Arts’ beschrijft dit prachtig in een
Wappers kreeg opdrachten van Leopold I en omdat beiden vrijmetselaar waren, gingen zij op zeer vertrouwelijke voet met elkaar om. Wappers vatte dadelijk vriendschap voor mij op; ook hij wilde de Vlamingen uit hun lange geestesslaap wekken. Hij zorgde ervoor dat de koning mij in zijn paleis te Brussel ontving en mij eerst een hulpgeld gaf, en vervolgens de opdracht tot het schrijven van een Geschiedenis van België. Toen Wappers directeur van de Academie werd, werd ik griffier van de school. Het was de eerste betrekking die mij toeliet om in mijn vrije uren te schrijven. Dat alles maakte van mij echter geen rijk man. Van mijn eerste boek, In ‘t Wonderjaer, en van De Leeuw van Vlaenderen waren een paar honderd exemplaren verkocht. Daar komt bij dat ik pas getrouwd was – tot dan toe had mijn schoonvader mij de hand van zijn dochter geweigerd omdat ik geen vast werk had – en dat mijn vrouw, daarin hartelijk gesteund door haar familie, neigde naar een levenswijze die wij ons in feite niet konden veroorloven. Intussen bleef Wappers mij de hand boven het hoofd houden door van mijn boeken een groot aantal exemplaren aan te kopen voor de bibliotheken van ‘s lands -lach niet! – gevangenissen. Maar Wappers kreeg te horen dat kanunnik Van Hemel superior van het Mechelse kleinseminarie dwars lag. Deze had al de schooluitgave van Reinaert de Vos door Jan Frans Willems gesaboteerd, tot Willems bereid was de inhoud aan te passen aan de eisen van de christelijke moraal. ‘Van Hemel is koleirig omdat gij in ‘t Wonderjaer van de geuzen de goeden hebt gemaakt en van de Spanjaarden de slechten. Hij wil daar met u komen over klappen. Ge verstaat toch wat ik wil zeggen?’ vroeg Wappers, die mijn verbijstering voor onbegrip hield.‘Dat ik mijn boeken moet herwerken,’ zei ik.
De vrijheid was en is mij lief – diende ik om harentwil niet vanaf de Omwenteling van 1830 tot 1836 in het Belgisch leger? En bezong ik ze niet in het Wonderjaer en de Leeuw? Alleen, ik wilde schrijven. ‘Gij moet met die mens gaan spreken,’ vond mijn vrouw Maria. ‘Ik val nog liever dood,’ zei ik. Thuis vond ik de slaapkamer op slot. Van Hemel schreef mij. Ik antwoordde per kerende.
Chokri Ben Chikha 'Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen’.
De kanunnik wist dat ik het, mijn verdiende succes ten spijt, niet gemakkelijk had – op financieel vlak: ‘Tot hier toe is er altijd gesproken van een aankoop van uw boeken voor de gevangenissen. Dat zijn veel boeken. Maar er zijn nog andere instituten waar men leest. Mijn eigen school heeft vijfhonderd studenten. En ik ken directeurs van andere scholen… Het is plezant een groot schrijver te zijn en honderd boeken te verkopen. Maar het is nog veel plezanter een groot schrijver te zijn en er duizend te verkopen. Wilt gij uw boodschap niet naar de mensen brengen – onze eigen Vlaamse en christelijke mensen, die op u zitten te wachten? Waarom zijt Gij als zoon van een Fransman anders in ‘t Vlaams gaan schrijven? Gij wilt de Vlamingen hun taal en hun trots teruggeven. Dat is schoon. Maar wat zijn ze met uw Leeuw als gij hun niet laat zien hoe zij vandaag moeten leven? Wat verwacht gij dat ze hiervan vinden?’ Hij las voor: ‘Jan Breydel streelde het moordstaal met meer liefde dan of hij zich op de zachte boezem zijner bruid had verlustigd! En hier,’ zei hij, ‘in uw Wonderjaer: “Zacht wijkt de kuise Geertrui voor het vuur van haar minnaars hart dat door haar kleed heen begint te gloeien” – gij durft nogal! Dat is gewoon … por-no-gra-fie.’‘Wat is dat, eerwaarde?’ Ik wist het werkelijk niet. ‘Vuilschrijverij. Van het Grieks pornos, vuil, en grafein, schrijven. Maar gij – gij kunt dat veranderen. Ge laat dien boezem weg en ook dat van dat vuur, dat door die kleren… euh, te zien is. En andere dingen van dien aard. Als ge wilt, kan ik u daar een lijst van maken.’ ‘ Ende geuzen dan? Ik bedoel, ze hebben mij gezegd dat gij vooral gebeten waart op de geuzen in ‘t Wonderjaer.’‘Aha, in uw Wonderjaer is ‘t van de geuzen hier en de geuzen daar, alsof dat onschuldige bloeikens waren, en van de Spanjaarden spreekt ge niks dan kwaad. Dat de Kerk en de Spanjaard wreed waren voor de protestanten, en dat de Spanjaard onze onafhankelijkheid heeft afgepakt – dat is juist. Maar moet ge dat vandaag, nu het liberalismus en de franc-maçonnerie hoogtij vieren, aan de mensen vertellen?’ ‘Eerwaarde, gij zijt het die betaald wordt om de mensen vroom te houden. Ik heb daar niks mee te maken.’ ‘Mijn zoon, gij hebt groot ongelijk’.
Eugeen Hermans, alias Pink
Ik moet u bekennen, Eekhoud, ik ben geen moedig mens. Er kwam een woede over mij alsof ik Jan Breydels bijl in mijn hand hield. Ik zei: ‘Eerwaarde, het zou voor mij gemakkelijk zijn te zeggen: ‘t is goed, ge hebt gewonnen. Maar als gij geen gebroken armen en benen wilt oplopen, kunt ge nu het best vertrekken.’ Ik riep: ‘Mariake, kanunnik Van Hemel moet zijn trein halen. Wilt gij hem het gat van den timmerman wijzen?’ En tegen hem: ‘Gij zijt nog niet weg, of ik zie u al niet meer.’ Maria bleef mij de toegang tot de slaapkamer ontzeggen. Wappers zei: ‘Henri, misschien zijn Vlaamse boeken tout court in de huidige omstandigheden belangrijker dan Vlaamse liberale boeken.’ Drie dagen stuurde kanunnik Van Hemel het eerste deel van De Leeuw. Hier en daar was met rode inkt een regel doorgehaald; ik telde er hooguit veertig, op een paar honderd bladzijden. Dezelfde dag hoorde ik dat mijn vrouw in verwachting was.’ Om middernacht was mijn brief aan Van Hemel klaar. Onze zoon Hildevert werd pas veertien maanden later geboren. Had Maria gelogen op aanraden van haar biechtvader? Ik wilde het niet weten.
Soms denk ik dat onze letterkunde – de Vlaamse – er zonder de bemoeienissen van kanunnik Van Hemel ánders had uitgezien. Ik vraag mij af of ik niet liever boeken had geschreven die mij thans niet met twijfel vervulden’.

Besluit

Alleen al de verontwaardiging die veertig jaar later nog doorklinkt in die brief van Conscience is een aansporing om zijn ‘Wonderjaar’ eens door te nemen. Hij is misschien broodschrijver, maar ook een groot schrijver met een aantal principes. Maar het is niet eerlijk hem voor te stellen als de grondlegger van een ‘Vlaamse’ identiteit. Hij is vooral een pion geweest in de kultuurpolitiek van Leopold I.  Trouwens, wat is die Vlaamse identiteit? Op de Brugse Breydelfeesten van 1887 hebben katholieken, liberalen en socialisten het standbeeld op de Brugse Grote Markt elk afzonderlijk ingehuldigd. In 1902 waren er in Kortrijk niet minder dan vier aparte Guldensporenherdenkingen. Voor de katholieken moesten de manifestaties van het herdenkingsjaar de vaderlandsliefde versterken en op die manier de Belgen, ‘Walen zoowel als Vlamingen’, verenigen in hun strijd ‘tegen den gemeenen en inwendigen vijand, het wereldburgerlijke socialismus, dat vernieling heet van eigendom en eigen heerd, van godsdienst en vaderland’. In 1900 had August Vermeylen gesteld dat 1302 geen episode ‘uit een rassen-, maar uit een klassenstrijd’ was. De katholiek Duclos stelde dat de Guldensporenslag ‘geen strijd van volk tegen adel’ en ook ‘geen strijd tusschen werk en kapitaal’ was. Die laatste strijd bestond niet, zo betoogde hij, want ‘sedert lang was dit vraagstuk opgelost, door het wettig bestaan van gilden en neringen. De onhebbelijke eischen zullen slechts alsdan stille vallen, wanneer de gilde of corporatie weder zal ingericht zijn, in eenen vorm, die past op onzen tijd’. De Wever kan natuurlijk zeggen zoals Duclos dat de “strijd tusschen werk en kapitaal” niet bestaat en een uitvinding is van slechte vlamingen. Of zijn licht even opsteken bij de kultuurpolitiek van Leopold I…

Biblio

http://janlampo.com/category/wappers-gustaf/ Brief van Henri Conscience Conservateur des Musées Royaux des Beaux-Arts aan Mijnheer Georges Eekhoud, Letterkundige - 9 juillet 1881
http://www.dbnl.org/tekst/bran038biog01_01/bran038biog01_01_0934.php J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891
http://fr.wikisource.org/wiki/De_la_renaissance_flamande_en_Belgique Saint-René Taillandier, De la Renaissance flamande en Belgique. — Le Romancier de la Flandre. — Henri Conscience, Revue des Deux Mondes, tome 1, 1849 (pp. 8685).
http://www.knhg.nl/bmgn2/B/Billen__C._-_1302_Revisite._1302_Herbekeken.pdf P. C. M. HOPPENBROUWERS,  1302-2002. De Guldensporenslag en zijn nagalm in de moderne tijd
http://www.dbnl.org/tekst/vers059aans01_01/vers059aans01_01_0001.php Tom Verschaffel, ‘Aanschouwelijke Middeleeuwen. Historische optochten en vaderlandse drama's in het negentiende-eeuwse België.’, Theoretische Geschiedenis 26 (1999)